Jannetje Smit 1882-1963
Bruid van Schokland

Jannetje Smit is de zuster van Harm Smit en de hoofdpersoon in De Bruid van Schokland feuilleton.

Ze is een bijzonder lief en deugdzaam meisje. Waar zij zich druk overmaakt is nu nog nauwelijks voor te stellen. Ze krijgt regelmatig een hoogrode kleur. Tijdens een bezoek aan Kampen koopt een buurvrouw een broche voor haar. Terug op Schokland durft ze nauwelijks de broche op te doen, bang dat haar moeder de broche zal afkeuren. Jantje ten Napel is namelijk fel tegen opsmuk. Als Jantje dan toch toestemt, vader Smit gaat allang akkoord, (maar alleen dragen bij de zondagse kleding) wil ze haar moeder om de hals vliegen maar die weert dat af. Een geregeld terugkomende scene in het boek.

Zij trouwde in 1902 met Kasper Kombrink (1875-1968), lichtwachter op Kraggenburg. Jannetje en Kasper zijn de ouders van de schrijver van het feuilleton, Lammert Kombrink.

Het volgende gedicht is geschreven door Jannetje. Met een strenge winter week de vrees voor het steeds opstormende water en dat werd treffend door haar weergeven.  Lammert’s schrijverstalent komt niet van een vreemde.

Het ijzig vlak nu door de zee gedragen verstilt het golvenspel, verstomt het ruisend lied.
O Schokland, thans zal u geen vloed belagen
Dank Winter voor de rust die Gij ons biedt

Ook in het boek de Zeeburcht schildert Lammert een bijzonder liefdevol portret van zijn moeder. Kasper, zijn vader, komt er minder goed van af. Kasper is ongeduldig, snel kwaad, als iets niet lukt gooit hij het in drift weg. Jannetje kan daar wel om lachen en heeft alle geduld met Kasper. 

Hieronder fragmenten uit de Zeeburcht. Het gedicht van Jannetje Smit waar Wim Kuyper naar verwijst staat in de Zeeburcht:

Lammert Kombrink, de schrijver

Jannetje Smit, de bruid van Schokland  

Kasper Kombrink

Dan kan het gebeuren dat Kortrink een boek uit de kast neemt en zijn vrouw iets voorleest. Ditmaal is het een gedicht van Penning: Tienden van de oogst. Met genoegen luistert Nanne naar de welluidende stem van haar man, die het gedicht zeer goed voordraagt. „Lees er nòg een, Louw”, verzoekt zij. En dan kiest hij het niet minder mooie: „Schakering”, van dezelfde schrijver. „Gedichten vind ik altijd prachtig”, zegt zij, als de stem van haar man zwijgt. „ik heb ook eens ’n soort gedichtje gemaakt. Dat is nu al weer vier jaar geleden. Toen dreef er ook veel drijfijs en ik heb het op mijn kamertje geschreven. Het waren maar vier regels, en ik kan het zo nog opzeggen. Luister maar eens.” En haar hand uitstrekkend, als over een onafzienbare ijsvlakte, draagt de jonge lichtwachtersvrouw haar gedicht, het enige dat zij ooit maakte, voor.

Het ijzig vlak nu door de zee gedragen, 
Verstilt het golvenspel, verstomt het ruisend lied. 
0 Schokland, thans zal u geen vloed belagen, 
Dank Winter voor de rust die gij ons biedt. 
 
Een diepe blos verft haar wangen. Met haar arm nog uitgestrekt vertoeft zij in de geest weer op het oude Schokland. Het kleine eiland, elf kilometer van hier verwijderd. 0 hoe houdt zij van dat kleine nietige strookje grond, hoeveel dierbare herinneringen bezit zij van dat eilandje! Hoeveel keren heeft ze het niet omwandeld en gekeken naar de branding die rusteloos tegen de lage weringen sloeg, onverschillig hoe de wind was. Zij denk aan de schipbreukelingen, de reddingen door haar vader en broers. En aan haar lieve moeder die achter haar stuurs uiterlijk zo’n groot en liefhebbend hart verborg. Aan de Zondagen waarop vader een preek las. Alsof zij pas gister zijn stem had gehoord, zo duidelijk kan ze zich het voorstellen. Zal ze ooit zo’n Godsdienstoefening op Schokland nog eens meemaken? Nooit meer, waarschijnlijk. Zal zij ooit weer in de Winkel helpen of met vader naar de westkant gaan waar hij zo vaak werkt? En nogmaals, zal ze ooit iemand ontmoeten in haar verdere leven die rustig en vol vertrouwen over de eeuwige dingen kan spreken, als haar vader? En hoeveel Nanne ook van haar moeder houdt, deze genegenheid valt in het niet bij de liefde die zij voor haar vader koestert. Een liefde die aan verering grenst, ja hem verre boven andere mensen verheft. Ook Louw heeft een groot respect voor zijn schoonvader. De kalme waardigheid die van deze man uitgaat, heeft op ieder die Douwe Brand kent, dus ook op Louw Kortrink, zijn stempel gedrukt. Alsof hij het zojuist zeide, zo duidelijk weet Nanne nog wat Louw had gezegd, nu haast een jaar geleden. „Jouw vader is ’n echte christen, Nanne. Nog nooit hoorde ik hem iets zeggen ten nadele van een ander. Je vader is ’n oprechte, eerlijke kerel.” 
 

Lammert Kombrink – De zeeburcht

Jannetje Smit heeft meer verstand van broodsnijden.

Hand in hand lopen de lichtwachter en zijn jonge vrouw terug naar huis. En als zij weer op de hoge terp staan zegt zij: „ lk begrijp alleen niet waarom Kraggenburg zo ver van de wal af ligt, Louw! Jij wel?” „ Ik wel, Nanne. Dat zit zo. De kust is hier erg ondiep en als er geen lange pieren bestonden, zouden er geen schepen kunnen varen. Het water zou zich verspreiden in verschillende geulen, die door stormen en stroom telkens zouden dichtslibben en van richting veranderen. Nu hebben ze leidammen gemaakt en het water is nu genoodzaakt om tussen deze pieren door te vloeien. Kraggenburg ligt ongeveer aan de buitenzijde van de gronden en daarom ligt het bijna zeven kilometer uit de vaste wal ; begrepen Nanne?” Ik begrijp het nog niet helemaal, maar dat komt natuurlijk omdat ik er geen verstand van heb. Ik heb meer verstand van broodsnijden en zo. Kom, we gaan naar binnen want het zal tijd voor het ontbijt zijn.
 

Lammert Kombrink – De zeeburcht

In het volgende fragment worden de rollen omgedraaid. Alles uiteraard ten dienste van het verhaal maar het wordt wel duidelijk hoe koppig Kasper kon zijn (en dat was welbekend uit familieoverleveringen).

Met de vingers langs zijn snor strijkend staat Kortrink naar het riet te kijken. De buitenkant is niet mooi. Het riet is daar kort en brokkelig. Verder naar binnen staat het dicht opeen en langer. Toch zal hij aan de buitenkant moeten beginnen. Hij laat de twijgen in het korte gras vallen en neemt de sikkel steviger in de rechterhand. Dan slaat hij z’n linker om een bos riet, duwt de sikkel er omheen en trekt. Met een krakend dor geluid gaat het kromme mes door de stengels. Kortrink knikt tevreden. Hij doet zo vier of vijf forse halen, neemt een twijg om de rietbos volledig te maken. Maar dát valt niet mee! Hoe ter wereld moet zo’n steek gemaakt worden! Telkens maakt hij de lus anders, iedere keer is het verkeerd. Ten slotte blijkt de twijg levensmoede en breekt. Hij neemt een andere. Deze breekt na de tweede mislukte knoop. Met de derde schijnt het te slagen. Hij duwt het eindje tussen het riet en gooit de eerste bos op de grond. Met een zacht geritsel valt het maaksel uiteen. Doch lichtwachter Kortrink is een koppig man. Hij beheerst zijn drift die hem reeds in zijn zakken doet wroeten naar lucifers om de mislukte bos aan het vuur prijs te geven. Nee, hij vat een nieuwe twijg en scharrelt zó lang tot de rietbos niet meer los zal gaan. Zo, en nu verder. „Dat buitenste riet is nooit veel bijzonders, Louw”, hoort hij opeens achter zich. Hij richt zich op uit z’n gebogen houding en kijkt Nanne niet erg vriendelijk aan. „En waarom is dat riet niet goed?” vraagt hij agressief. „Het buitenste is nooit erg mooi. Maar je moet het beter uitkammen.” „Wat uitkammen. Wie heeft ooit gehoord dat riet uitgekamd moet worden!” „Toch moet het Louw. Dan haal je er een hoop rommel uit en het verhoogt de waarde. Je neemt je bos gesneden riet onder de arm en rost er met je snit door. Dan kam je er de rommel uit. Wil ik het je eens vóórdoen?” „Niet nodig, je zou je vuil maken. Let maar eens op hoe ik het met die andere bos klaarspeel.” Wanneer men zich in zijn werk gadegeslagen weet, werkt men niet zo gemakkelijk als zonder toeschouwers. Vooral wanneer men het werk niet onder de knie heeft. Toch zal hij zijn vrouw eens laten zien dat hij kàn rietsnijden. Als een volleerde rietsnijder omarmt hij een massa stengels, rukt de sikkel naar zich toe, maar kan niet meer beletten dat de scherpe punt met kracht in de snuit van zijn klomp dringt. Hij rukt en snokt, doch een klompneus is langshout en hij voelt aan de binnenzijde iets aan zijn grote teen dat er niet hoort. En Nanne lacht. Zij lacht zich tranen omdat haar man zijn klomp uittrekt en deze met het snit door de lucht maait. Hij zoekt met zijn kousevoet steun, maar deze bestaat uit de scherpe stoppels van afgesneden riet. „Schei uit met je gegrinnik, Nanne. Een mooi begin is het. Ik kan meteen andere klompen aantrekken.” Hij heeft de klomp weer vrij en bekijkt de punt van zijn snit. Er is niets aan te zien en met die klomp zal het nog wel gaan. „Weet je wat je nog hebben moet, Louw?” zegt Nanne, nog altijd lachend. „In ieder geval geen opzichters. Je kunt beter naar huis gaan, Nanne.” „Ik ga dadelijk hoor! Maar je moet een stuk plank halen, Louw. Als je het riet hebt uitgekamd, stoot je de bos op de plank. Je zult zien dat je bos er dan veel mooier uitziet.”

Lammert Kombrink – De zeeburcht

Dit zijn enkele hoofdpersonen uit de feuilleton “De Bruid van Schokland”, staande voor hun huis op het eiland. Van links naar rechts:
Harm Smit (“Jaap Brand”), geboren 10-9-1880 op Urk, overleden 6-9-1950 in Kampen, zoon van Lammert Smit en Jantje ten Napel. Hij was tweede havenmeester op Schokland, tevens ambtenaar van de posterijen en directeur van de visafslag aldaar. Hij trouwde in 1908 met Jantje van Veen (1882-1960) uit Urk.
Lammert Smit (“Douw Brand”), geboren 23-2-1854 in Leeuwarden, overleden 3-9-1929 in Kampen. Hij was lichtwachter en havenmeester op Schokland. Hij is in 1877 getrouwd met Jantje ten Napel.
Jantje ten Napel (“Jante Brand”), geboren 30-9-1851 in Vollenhove, overleden 28-5-1937 in Zutphen. Zij had op Schokland, bij de haven van Emmeloord, een winkeltje waar brood, kruidenierswaren, tabak, schapenmelk en Schokkermoppen te koop waren. Ze is in 1877 getrouwd met Lammert Smit.
Jannetje Smit (1882-1963) (“Nanne Brand”, de Bruid van Schokland), dochter van Lammert Smit en Jantje ten Napel. Zij is in 1902 getrouwd met Kasper Kombrink (1875-1968), lichtwachter op Kraggenburg. Zij zijn de ouders van de schrijver van het feuilleton, Lammert Kombrink.
Jentje Gerssen, geboren 24-12-1880 op Urk, overleden 10-5-1939 in Zwolle. Ze trouwde in 1903 met Rinke Oost. Haar moeder was een zuster van Jantje ten Napel.
Hendrik Smit (“Gart Brand”), geboren 20-6-1878 op Urk, overleden na 1959, zoon van Lammert Smit en Jantje ten Napel. Hij was eerst kantonnier op Ens, het zuidelijke deel van Schokland, later lichtwachter-havenmeester op Emmeloord. Hij trouwde in 1904 met Margaretha Duinkerken (1880-1951) uit Zwartsluis.

Wim Kombrink een nazaat van Jannetje in de Flevopost:

Wim: ‘Ja, mijn overgrootvader was schipperszoon en voer met zijn binnenvaartschip over de Zuiderzee. Hij voer de haven van Oud Emmeloord binnen, Schokland was toen al ontruimd, en de winter viel in. Hij kon niet meer weg en ontmoette zijn vrouw. Haar ouders waren de havenmeesters van Oud-Emmeloord. Ze trouwden in 1901 en van 1902 tot 1911 was hij lichtwachter van Oud-Kraggenburg.’

Willy luistert geboeid naar Wim. ‘Is dat verhaal vastgelegd?’

Het gehavende boek, in bezit van Harry Smit, kleinzoon van Harm Smit

Wim: ‘De broer van mijn grootvader, Lammer Kombrink, heeft een boek geschreven over hoe mijn overgrootouders elkaar hebben ontmoet en ook over de tijd dat ze op Oud-Kraggenburg woonden.’

Willy: ‘Wat mooi. Vind je het belangrijk dat de geschiedenis bewaard blijft?’

Wim: ‘Zeker en dan vooral voor de volgende generatie. Toen mijn vrouw en ik 15 jaar getrouwd waren, namen we onze dochters mee naar Oud-Kraggenburg en Schokland. Het is voor hen heel onrealistisch wat zich hier voor de drooglegging afspeelde. Het is belangrijk om dat te blijven vertellen. Toch?’

Wim en Johanna Kombrink vierden vijftigjarige huwelijksdag.