Jannetje Smit 1882-1963
Bruid van Schokland

Jannetje Smit is de zuster van Harm Smit. Ze wordt waarheidsgetrouw en uitgebreid beschreven in De Bruid van Schokland feuilleton.

Zij trouwde in 1902 met Kasper Kombrink (1875-1968), lichtwachter op Kraggenburg. Jannetje en Kasper zijn de ouders van de schrijver van het feuilleton, Lammert Kombrink. Het volgende gedicht is geschreven door Jannetje. Met een strenge winter week de vrees voor het steeds opstormende water en dat werd treffend door haar weergeven.  Lammert’s schrijverstalent komt niet van een vreemde.

Het ijzig vlak nu door de zee gedragen verstilt het golvenspel, verstomd het ruisend lied.
O Schokland, thans zal u geen vloed belagen
Dank Winter voor de rust die Gij ons biedt

Bron: Wim Kuyper – Oude Zuiderzeeverhalen, gepubliceerd in de Kampioen (ANWB-gids)


Het behoorlijke gehavende boek, in bezit van Harry Smit

Wim Kombrink een nazaat van Jannetje in de Flevopost:

Wim: ‘Ja, mijn overgrootvader was schipperszoon en voer met zijn binnenvaartschip over de Zuiderzee. Hij voer de haven van Oud Emmeloord binnen, Schokland was toen al ontruimd, en de winter viel in. Hij kon niet meer weg en ontmoette zijn vrouw. Haar ouders waren de havenmeesters van Oud-Emmeloord. Ze trouwden in 1901 en van 1902 tot 1911 was hij lichtwachter van Oud-Kraggenburg.’

Willy luistert geboeid naar Wim. ‘Is dat verhaal vastgelegd?’

Wim: ‘De broer van mijn grootvader, Lammer Kombrink, heeft een boek geschreven over hoe mijn overgrootouders elkaar hebben ontmoet en ook over de tijd dat ze op Oud-Kraggenburg woonden.’

Willy: ‘Wat mooi. Vind je het belangrijk dat de geschiedenis bewaard blijft?’

Wim: ‘Zeker en dan vooral voor de volgende generatie. Toen mijn vrouw en ik 15 jaar getrouwd waren, namen we onze dochters mee naar Oud-Kraggenburg en Schokland. Het is voor hen heel onrealistisch wat zich hier voor de drooglegging afspeelde. Het is belangrijk om dat te blijven vertellen. Toch?’


Dit zijn enkele hoofdpersonen uit de feuilleton “De Bruid van Schokland”, staande voor hun huis op het eiland. Van links naar rechts:
Harm Smit (“Jaap Brand”), geboren 10-9-1880 op Urk, overleden 6-9-1950 in Kampen, zoon van Lammert Smit en Jantje ten Napel. Hij was tweede havenmeester op Schokland, tevens ambtenaar van de posterijen en directeur van de visafslag aldaar. Hij trouwde in 1908 met Jantje van Veen (1882-1960) uit Urk.
Lammert Smit (“Douw Brand”), geboren 23-2-1854 in Leeuwarden, overleden 3-9-1929 in Kampen. Hij was lichtwachter en havenmeester op Schokland. Hij is in 1877 getrouwd met Jantje ten Napel.
Jantje ten Napel (“Jante Brand”), geboren 30-9-1851 in Vollenhove, overleden 28-5-1937 in Zutphen. Zij had op Schokland, bij de haven van Emmeloord, een winkeltje waar brood, kruidenierswaren, tabak, schapenmelk en Schokkermoppen te koop waren. Ze is in 1877 getrouwd met Lammert Smit.
Jannetje Smit (1882-1963) (“Nanne Brand”, de Bruid van Schokland), dochter van Lammert Smit en Jantje ten Napel. Zij is in 1902 getrouwd met Kasper Kombrink (1875-1968), lichtwachter op Kraggenburg. Zij zijn de ouders van de schrijver van het feuilleton, Lammert Kombrink.
Jentje Gerssen, geboren 24-12-1880 op Urk, overleden 10-5-1939 in Zwolle. Ze trouwde in 1903 met Rinke Oost. Haar moeder was een zuster van Jantje ten Napel.
Hendrik Smit (“Gart Brand”), geboren 20-6-1878 op Urk, overleden na 1959, zoon van Lammert Smit en Jantje ten Napel. Hij was eerst kantonnier op Ens, het zuidelijke deel van Schokland, later lichtwachter-havenmeester op Emmeloord. Hij trouwde in 1904 met Margaretha Duinkerken (1880-1951) uit Zwartsluis.

Jannetje Smit, de bruid van Schokland

Fragment Bruid van Schokland

Lammert Kombrink, zoon van Jannetje Smit

“Klein en nietig, nauwelijks merkbaar op de grote doodse ijsvlakte, zwoegen de Urkers met hun ijsvlet.(…) Langzaam komt de zware vlet, met de lopers er onder, in beweging. Iedere keer botst zij tegen een overeind staande schots en dan is de gang er weer uit. Diep voorover gebogen trekken de mannen voort, zich soms met de handen op het ijs steunend wanneer hun benen door de gladheid onder het lichaam wegschieten.(…)Eensklaps geeft de voorste trekker een schrille schreeuw en meteen verdwijnt hij tot aan zijn middel in het ijs. Men stopt onmiddellijk en vlug wordt de drenkeling uit het koude water getrokken. In stralen stroomt het water hem uit de wijde broek en zijn gezicht staat allesbehalve plezierig. Verrassend snel springt hij in de vlet en schopt de reeds bevriezende broek van zijn lijf. De onderbroek van hetzelfde formaat volgt en vijf minuten later staat hij weer in het trekzeel en trekt, trekt zo hard hij maar kan om weer warm te worden. En voort gaat het weer, richting Emmeloord. Men is voorzichtiger geworden. Het ijs is onbetrouwbaar door de snelle stroom die door de Nagel trekt. Reeds heeft de zon haar hoogste punt bereikt en is bezig de korte winterbaan naar de horizon af te leggen. De oostenwind wakkert aan en harder moeten de Urkers trekken om het logge gevaarte vooruit te krijgen. Zij komen op een punt waar de schotsen tegen elkaar op staan. Steven geeft het sein om te stoppen. (…) Plotseling loopt er een siddering door de ijsvloer, een daverende knal volgt. Met verschrikte gezichten richten de mannen zich op en onwillekeurig naderen zij de boot om zich in veiligheid te stellen. Een luide waarschuwende kreet van de leider doet hen het trekken vergeten. ‘Kijk daar… daar recht voor ons… daar schuift het ijs…!’ schreeuwt hij schor. Hij heeft gelijk. Het ijs is in beweging en de zware dikke schotsen schuiven over elkaar heen. Onder hevig gerommel begint zich een duin te vormen, almaar hoger. De ijsvloer siddert onder de geweldige druk… Onder de voeten der Urkers springen barsten en deze planten zich krakend voort. Even zijn de mannen de kluts kwijt, heel even slechts. ‘Weg van hier mannen!’ beveelt Steven dan. ‘Terug, desnoods weer naar Urk.’ Allen smijten zich in de zelen, een vluchtende horde, die trekt voor het leven. Met wanhopige blikken kijken ze naar Schokland, dat nu achter hen ligt. ‘We zullen het om de Zuid proberen’, zegt Steven, ‘er móét ergens goed ijs zijn. En we moeten opschieten, want over twee uur is het donker.’ Steven krijgt gelijk. Het ijs wordt beter. ‘Het gaat goed mannen!’moedigt hij aan.’We hebben de goede koers weer’.Als kleine wolkjes stoom komt de adem uit hun hijgende monden. Soms heffen zij verschrikt het hoofd op als met gedreun een nieuwe scheur door het ijs jaagt. Zwijgend gaat het verder, want elk gesproken woord is verspilling van energie. Langzaam,tergend langzaam, wordt het nevelig silhouet van Emmeloord duidelijker…”. schoklanddoordeeeuwenheen

Wim en Johanna Kombrink vierden vijftigjarige huwelijksdag. Wim zal een broer zijn van Lammert Kombrink, de schrijver.