Overgenomen uit De Amsterdamsche Dameskroniek van 30-10-1937.
Het eiland Schokland is door de nieuwe inpoldering van het IJselmeer in het middelpunt der belangstelling komen te staan. Sinds de evacuatie in het midden der vorige eeuw wonen er op Schokland slechts enkele rijksambtenaren met hun gezinnen. Nu ook zij binnen afzienbaren tijd op het vasteland komen te wonen, heeft één onzer medewerksters de vrouwen op Schokland bezocht. In dit artikel geeft zij een relaas van haar bevindingen.

Het lage, smalle, met riet begroeide eiland, van de Zuidepunt gezien.
De eerste zware druppels vallen, als wij, na een stormachtigen overtocht, voet aan wal zetten op Schokland. Enfin, wij hebben de bui zien aankomen van het oogenblik af dat wij bij Genemuiden langs de roode, roze, blauwe en zwarte bundels touw voeren, die daar, als kralen aan een ketting, in lange rijen te drogen hingen tusschen de boomen. Het Zwolsche Diep — breed, woelig, eenzaam water tusschen rietomzoomde oevers en een aalscholver op elk baken — ging haast ongemerkt over in wat tegenwoordig het IJselmeer heet, maar wat, door wie er van houden, nog steeds de Zuiderzee wordt genoemd. Toen begon de boot te dansen, wij voeren langs de sombere gevaarten der baggermachines, die Schoklands einde voorbereiden, de wijde, groengrijze, witgekuifde watervlakte op naar het eiland, dat al gauw als een dunne, wazige streep opdoemde aan den horizon. Een eiland met twee boomgroepen, één aan den noordpunt en één in het midden, met menschelijke behuizingen er onder: dat is Schokland, waar slechts drie families wonen.
Maar de kleine vluchthaven van Emmeloord op den noordpunt ligt vol schepen en aan de kade wemelt het van visschers: Urkers op klompen in hun grauwgrijze pakken, de zwarte mutsen met de groene lintjes van achteren zwierig-scheef boven de roodbruin verbrande gezichten, — en visschers in blauwe en zwarte truien. Over de leuningen der steigers hangen palingfuiken te drogen. Er is veel heen en weer geloop, gesjouw met emmertjes paling, geroep over en weer. En uit één van de huizen komt een vaste bewoner van Schokland haastig aanloopen om ons te ontvangen.

Het vreedzame Schokland, waar wollige schapen grazen.
Daar staan wij dan op Schokland, en het regent. Aan onze linkerhand strekt het eiland zich uit als een groengrijze zeeslang; rechts loopen wat schapen in het gras, daarachter begint al dadelijk weer het water. Recht voor ons uit is het eiland niet breeder dan een diepe stadstuin….
Hier hebben, tot in het midden der vorige eeuw, wel zeshonderd menschen gewoond, over drie dorpen verdeeld. Hoé, dat is een raadsel voor ieder die de smalle, met riet begroeide, nauwelijks boven het water uitstekende streep grond ziet; een raadsel. Nu wonen er drie gezinnen; twee op Emmeloord, den noordpunt, en één op Middenbuurt, dat van Emmeloord uit gezien niets is dan een kleine boomgroep. Waar vroeger Ens lag, op den zuidpunt, huizen nu de polderjongens, die de eerste zinkstukken maken voor den nieuwen dijk, die Schokland in de toekomst met den vastewal zal verbinden.
Al gauw blijkt ons, dat er over de eenzaamheid op Schokland te twisten valt. Trientje, de omstreeks twintigjarige dochter van den tweeden havenmeester Smith, die haar heele leven op het eiland heeft gewoond, wijst lachend naar de visschers op de kade, als wij haar vragen, of het voor een meisje op Schokland niet moeilijk is jongens te leeren kennen.
“Moeilijk?! Het is nergens makkelijker dan hier!” zegt Trientje, die van het eiland houdt en die er niet over denkt, er van af te gaan, …. zoolang het nog een eiland is. Later, na de nieuwe inpoldering, dan wil ze er niet meer wonen. Dan is de romantiek er af, dan is er niets meer aan. Maar zooals het nu is, vindt ze het prachtig: de liefde voor het eiland, voor de Zuiderzee, voor het leven aan en op het water zit haar in het bloed.
Er is één wandeling te maken op Schokland: over het smalle, niet veel meer dan een halven meter breede cementen paadje langs de oostkust naar den zuidpunt, één uur gaans, en weer terug. Dat is voldoende, vindt Trientje. Bovendien: ze kan immers naar Kampen, wannéér ze wil….
Moeder Smith, Urksche van geboorte, vindt het leven en de toekomst van haar volwassen dochters ook geenszins een probleem, in tegenstelling tot de vele moeders in den Wieringermeerpolder bijvoorbeeld, die niet goed weten, wat zij met haar meisjes zullen beginnen. Voor meer dan één dochter is er in de meeste gezinnen geen werk; huishoudscholen en andere opleidingsmogelijkheden voor meisjes zijn er in de nieuwe provincie nog niet; voor dagelijks heen en weer reizen naar plaatsen, waar die wèl zijn, zijn over het algemeen de afstanden te groot en het elders in den kost doen van dochters is duur. De jongens krijgen vrij gemakkelijk werk in den Wieringermeerpolder, betrekkingen voor meisjes zijn er nog dun gezaaid…. Voor moeder Smith op Schokland bestaat dit probleem niet, zoolang het eiland nog eiland is. Laat de kinderen, die er zoo van houden, er maar rustig blijven, tot de inpoldering een feit is….

Moeder Smith kijkt uit over de vroegere Zuiderzee.
Moeder Smith kijkt peinzend van haar breiwerk op en door het raam over de haven heen, naar het water van het IJselmeer, dat vroeger de Zuiderzee was en dat binnen afzienbaren tijd land zal zijn. Een stuk van haar leven is dat water. Zij voer er over heen naar Urk, als haar kinderen geboren moesten worden.
“Op het laatste nippertje!” vertelt ze, “want ik hield er niet van, lang op Urk te loopen wachten! Eens werd er hier ’s nachts, vlak vóórdat ik zelf weg zou gaan, aan de deur geklopt door een schipper. Zijn vrouw was in nood, of ik wilde helpen. Maar ik zei: ‘Man, ik ben er zelf net zoo aan toe, ga maar gauw naar Kampen!’ Vijf jaar later heb ik dat schippersjongetje, dat dien nacht geboren is, nog eens hier gezien; ik herkende zijn vader direct, toen hij hier weer aan wal was.”
Wij, menschen van den vasten wal, die gewend zijn den dokter even op te bellen als ons iets mankeert; die dagelijks aan huis bezorgd krijgen wat wij voor onze huishouding noodig hebben als wij het niet ‘even aan den overkant gaan halen,’ — hebben wij er eigenlijk ook maar ’n flauwe voorstelling van, hoe de vrouwen, die nu op Schokland wonen, het klaar hebben gespeeld om hun huishouding te doen, hun kinderen ter wereld te brengen, die kinderen op te voeden? Hoevelen van ons zouden den moed hebben in dergelijke omstandigheden in een zeilboot te stappen — toen moeder Smith’s kinderen klein waren, was er nog geen motorboot op Schokland — en bij nacht en ontij naar Urk te varen? Wij, die gewend zijn, onze kinderen, als zij een paar jaar oud zijn, naar een bewaarschooltje te sturen, waar ons een groot en belangrijk gedeelte van onze opvoedingstaak uit handen wordt genomen, kunnen wij ons voorstellen, wat het zeggen wil voor een moeder, de keus te hebben tusschen het van vacantie tot vacantie naar den wal sturen van hun zes-jarige kleuters, en het in haar gezin opnemen van een huisonderwijzer? Moeder Smith besloot indertijd tot het laatste. En zoo kwam eerst een onderwijzer en later een onderwijzeres bij het gezin Smith op Schokland inwonen. Hun salaris werd door het rijk betaald, terwijl vader en moeder Smith voor kost en inwoning zorgden.
De kinderen zijn nu volwassen; enkelen zijn zelfs al getrouwd. Maar zij werden geboren in een tijd, toen er nog geen telegrafische en telefonische verbinding met den vasten wal was; toen het eenige communicatiemiddel een zeilboot was en toen in den winter, als het ijs op de Zuiderzee nog niet hield, het volkomen isolement soms wekenlang duurde. Toch zou moeder Smith het op géén andere manier over willen doen….
“Alleen,” zegt haar man, die den heelen tijd met een zielstevreden gezicht zijn vrouw heeft aangekeken, over zijn pijp heen, terwijl zij vertelde, “een vrouw, die het hier uit wil houden, moet niet eerst ergens anders een huishouding gehad hebben. Als je pas getrouwd bent, is er niets prettiger dan met je man alleen op een eiland te zitten. En als daar het nieuwtje af is, — wel, dan ben je er aan gewend!”
Als wij een uurtje later in de huiskamer van cantonnier Schuurmans op Middenbuurt zitten, bevestigt moeder Schuurmans oogenblikkelijk de woorden van vader Smith: “Ik ben hier met mijn man komen wonen, toen wij trouwden,” zegt zij, “en ik weet niet beter.”
“En we vonden het toen óók al niks erg,” zegt vader Schuurman met een plagenden knipoog naar zijn vrouw. “Weet je nog, dat de allereerste Zondag het water tot aan de stoep van de kerk stond?!”
Ja, er is een kerk in de Middenbuurt. Vóórdat wij thee drinken, willen wij die nog graag bekijken, die oude kerk, waar het huis van den kantonnier tegenaan is gebouwd en waarmee meteen de hele “buurt” uit is. Er is een grasveld met bomen rondom het huis, ingesloten door een hoge, geteerde, houten zeewering…. Daarachter is aan den westkant de zee, aan den oostkant het cementen wandelpaadje en een aanlegsteiger, en naar het noorden en zuiden strekt de smalle strook rietland, die Schokland is, zich uit. Wat is de eenzaamheid van Emmeloord met zijn schuilhaven tegen de verlatenheid van de Middenbuurt?

Moeder Schuurman met de jongste vier telgen.
Vader en moeder Schuurman hebben vijf kinderen. De oudste is zes jaar en woont, omdat hij naar school moet, van vakantie tot vakantie bij zijn grootouders aan de wal. De andere vier, Jan, Teunis I, Teunis II en Stoffel, lopen in blauwe overalls rond in hun koninkrijk, en zijn in het minst niet verlegen of mensenschuw. Binnen de zeewering zijn ze zo vrij als vogels in de lucht en kan hun niets gebeuren. Ze zijn volkomen tevreden in hun isolement, en van hun leven nog niet ziek geweest. Alleen de oudste, die naar school gaat, heeft daar roodvonk opgedaan, vertelt moeder Schuurman. Geen mazelen, geen kinkhoest, geen bof hebben haar jongens ooit gehad. Eens heeft één van de Teunissen een voet verbrand met kokend water, en Stoffel heeft eens een knoop in zijn neus gehad; toen is ze hals over kop met hem in de motorboot naar Kampen gegaan, naar den dokter. Maar dat is tot nu toe dan ook alles geweest.
Zij kijkt tevreden naar haar frissche troepje. Zij maakt heelemaal niet den indruk dat zij het stille leven op het eiland moeilijk vindt. Toch zal het volgende jaar Jan naar school moeten en dan de oudste Teunis, daarna de jongste en tenslotte Stoffel…. Maar dan bedenk ik plotseling, en ik betrap mij er op dat ik het een onplezierige gewaarwording vind: maar dan is Schokland ook Schokland niet meer. Dan zullen de jonge Schuurmannetjes gewoon naar een school in de buurt kunnen, op de fiets heen en weer, net als de kinderen in den Wieringermeerpolder. Dan hoeft hun moeder geen bestellingen meer mee te geven aan schippers en visschers. Dan kunnen haar voorraden aan levensmiddelen, aan melk in blik, aan alles wat maar goed blijft in haar kelder, kleiner zijn. Dan komt de dokter bij haar ingeval van ziekte, inplaats van zij bij den dokter. Dan mogen Jan, de Teunissen en Stoffel ook buiten de zeewering spelen.
Maar of de bewoners van Schokland gelukkiger zullen zijn om al deze dingen?
“Dan blijf ik niet hier,” zei Trientje Smith. Het was te zien, dat zij het meende.
“Ik zou het niet anders over willen doen,” zei haar moeder aan het slot van haar verhalen over “den moeilijken ouden tijd,” toen Schokland veel verder van de bewoonde wereld af lag dan tegenwoordig.
“Ik weet niet beter,” zegt ook moeder Schuurmans en zij kijkt een beetje verbaasd, als wij beweren, ons niet voor te kunnen stellen, hoe zij haar babies in deze verlatenheid groot heeft gebracht, zonder daarbij op ontzaggelijke bezwaren te stuiten.
“Het is toch allemaal best gegaan.”
Desalniettemin: hoed af voor de vrouwen op Schokland. Maken zij ons niet weer eens duidelijk, hoe grenzenloos verwend wij, vrouwen uit de “bewoonde wereld,” tegenwoordig eigenlijk zijn, wat den hulpmiddelen betreft, waarvan wij ons bij het doen van onze huishouding en het grootbrengen van onze kinderen gedachteloos bedienen? Herinneren zij ons er niet weer eens aan, hoeveel minder gemakkelijk het óók nog gaat?
Als onze boot weer van wal steekt, als ik sta te zwaaien naar Jan en de Teunissen, die mee mochten naar den steiger, dan heb ik het zonderlinge besef, dat hun moeder mij in het minst niet benijdt, omdat ik niet op Schokland behoef te wonen en zij wèl.
Mies Blomsma
