Menschen voor wie men een voorkeur heeft, waartoe men zich getrokken voelt………
Menschen voor wie men een voorkeur heeft, waartoe men zich getrokken voelt………

Klachten over de misthoorn op Schokland (1923)

Bij mistig weer was het erg gevaarlijk en verraderlijk op de Zuiderzee. Op diverse punten langs de kust waren daarom misthoorns geplaatst, die als het zicht weer eens erg slecht was regelmatig een geluidsignaal gaven, zodat de vissers en schippers zich daarop enigszins konden oriënteren.
Al in 1909 werd er door schippers op aangedrongen dat er een misthoorn op het noordeinde van Schokland geplaatst zou worden. In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 13-3-1909 stond daarover het volgende bericht:
 
12 Maart. De omstandigheid dat, anders dan vroeger, in den laatsten tijd de scheepvaart bijna uitsluitend benoorden Schokland plaats heeft, zoodat het in ’t belang eener veilige vaart hoogst wenschelijk is dat op het noordeinde van genoemd eiland een misthoorn worde geplaatst, heeft aan het bestuur van de vereeniging Scheepvaart en Handel alhier aanleiding gegeven zich met een daartoe strekkend verzoek tot den Minister van Waterstaat te wenden.
 
Maar de minister besloot daarop niet in te gaan, want het kostte allemaal te veel en bovendien vond hij het ook niet belangrijk genoeg. In latere jaren werden meerdere vruchteloze pogingen ondernomen om de minister op andere gedachten te brengen.
Pas in 1917 leek het tij te keren, toen er plannen gemaakt werden om op de eilanden Urk en Marken misthoorninstallaties te plaatsen, en –  nou ja, vooruit dan maar – ook op Schokland. Maar dat laatste zou toch nog vier jaar duren. In het Overijsselsch Dagblad van 17-6-1921 stond:
 
Naar we vernemen zal op het eiland Schokland een misthoorn worden geplaatst.
 
Op 28-12-1920 had inmiddels al in Den Haag de aanbesteding plaats gevonden van “het maken van een motorgebouw c.a. voor een misthoorninstallatie ten dienste van het loodswezen, te Emmeloord op Schokland.”
De laagste inschrijver was aannemer H.C. Kramer op Urk, die het werk uitvoerde voor 8597 gulden.
Het duurde nog ruim een jaar voordat de installatie in gebruik genomen kon worden. In het motorgebouwtje, dat een oppervlakte had van 6 bij 6 meter, stond een grote, zware Bronsmotor met vliegwielen, die op petroleum liep. De motor zorgde voor de aandrijving van een compressor, die lucht in de luchtketels perste, benodigd voor het laten loeien van de misthoorn. Op het pannendak van het gebouwtje stond de koperen misthoorn, met de opening naar het zuidwesten gericht. De luchtketels waren zo gemaakt dat de hoorn ongeveer 10 uur achter elkaar mistseinen kon geven. Bij mist hoefde alleen maar de motor aangezet te worden, het was niet nodig om er verder bij te blijven, want alles ging vanzelf na het opstarten.

Inspectie van de misthoorn door de Technische Dienst van ’s-Rijkskustverlichting in 1921.
Naast het gebouwtje stonden nog twee reserve luchtketels op betonnen steunen. (Foto uit het tijdschrift De Vuurboet, winter 2016)

Havenmeester Hendrik Smit (1878-1960) werd met ingang van 16-1-1922 belast met de bediening van de misthoorn, tegen een vergoeding van 400 gulden per jaar. Zijn broer Harm Smit (1880-1950) werd op dezelfde datum aangesteld als zijn assistent, waarvoor hij jaarlijks 300 gulden zou krijgen. Zij moesten de inrichting netjes onderhouden, en elke week moest even proef gedraaid en proef geblazen worden. Naar schatting zou hen dat ieder ongeveer 6 uur werken per week kosten.
In de Nieuwe Vlaardingsche Courant van 7-4-1922 stond beschreven hoe men op de Zuiderzee de misthoorn van Schokland kon herkennen:

Vuren en mistseinen.
Een mistsein-installatie is aangebracht op de Noordpunt van Schokland, ter Westzijde, nabij den kop Noorderhavendam, gevende elke 40 seconden een groep van 2 stooten met den misthoorn, als volgt: stoot 2 seconden, stilte 8 seconden, stoot 2 seconden, stilte 28 seconden.
 
Maar de bediening van de misthoorn op Schokland verliep niet altijd tot tevredenheid van sommige vissers en schippers op de Zuiderzee. In “Schuttevaêr”, het weekblad gewijd aan de belangen van de binnenlandse scheepvaart, stond op 15-12-1923 een ingezonden brief van een anonieme schipper, die beweerde dat de misthoorn op Schokland niet altijd werkte als dat nodig was:
 
Mijnheer de Redacteur!
Vergun mij een plaatsje in uw veelgelezen courant. In het nummer van 8 December lees ik dat er op de haven te Lemmer een “sirene” geplaatst zal worden, welke een groote aanwinst voor de scheepvaart zal zijn, om bij mistig weer de haven van Lemmer te vinden en aan te doen.
Mijnheer! Nu wij toch over mistsirenes spreken, wil ik u mijn ondervinding daar eens over mededeelen.
Vrijdagavond 30 November voer ik ’s avonds 12 uur buiten den lichttoren van ’t IJ. Het was dampig, niet beslist dik van mist, doch de mistklok op den IJ-toren luidde, al hoe gebrekkig ook, zij luidde. Verder varende werd de mist dikker. De sirene op Marken was in werking. Al varende kwamen we in den morgen in de nabijheid van Urk en hoorden de sirene van Urk ook duidelijk, doch toen we tegen elf uur voormiddag naar Schokland kwamen, hoorden we tot ons leedwezen geen sirene van Schokland, hebben haar ook niet gehoord, heeft ook niet gewerkt.
Zaterdagavond 8 December komen we ’s avonds op de reede van Schokland ten anker, heelemaal geen maanlicht, donker weer, vreeselijk lange nachten, eerst een poosje slapen. ’s Nachts om 3 uur geen mooi weer om te varen, weer in ’t bed. Om half vijf aan ’t dek, nat weer met mist, hoor de sirene op Urk, gaat niet op Schokland (Emmeloord). Om 7 uur ’s morgens varen, ’t wordt dag, nog mistig, hoor sirene op Urk, werkt niet op Emmeloord. We hooren roepen: daar heb je het land, gaat ook een motorboot uit de haven, zeker koers Lemmer. De motor, die bij ons langs gaat, is v.d. Leij van Steenwijk, bekend doordat wij hem aanroepen. Wij drijven met een heel klein tochtje wind N.N. Oost weg, totdat we ineens om 9.15 uur de sirene hooren op Schokland, zegge kwartier na negen uur.
Nu vraag ik u eens, mijnheer de redacteur, is die sirene nu op Schokland geplaatst door het Rijk om die bij gelegenheid eens te laten werken? Of is zij daar geplaatst om, zoodra de mist invalt, haar dan gelijk als op ieder station in werking te stellen? Of zou er voor de scheepvaart niet zooveel belang voor Schokland zijn? Mogelijk, mijnheer de redacteur, is u daar meer van bekend, maar ik zeg voor mij: wat hebben we aan een sirene op Schokland, als zij bij mist niet direct in werking wordt gesteld?
U, mijnheer de redacteur, dankend voor de plaatsruimte.
Hoogachtend,
Een Lid van “Schuttevaêr”.
 
Dit was tegen het zere been van Harm Smit als verantwoordelijke voor de bediening van de misthoorn. In het weekblad “Schuttevaêr van 5-1-1924 reageerde hij ietwat gepikeerd op de beschuldigingen:
 
Geachte Redacteur!
U zult mij toch geen plaats weigeren om uw inzender d.d. 15 Dec. te kunnen wijzen op zijn al te lichtvaardig uitgebrachte zware critiek.
Nu, “Lid van Schuttevaêr”, het adres voor klachten aangaande de misthoorn op Schokland is “Inspecteur Loodswezen Amsterdam”.
1 Dec. was mistvrij tot namiddag 4.30. Noch misthoorn Urk, noch Schokland heeft voor dien tijd gewerkt of behoeven te werken. Waarom schrijft U van Urk wel?
Mijn gedachten zijn: U maakt geen onderscheid tusschen noodzakelijke en niet noodzakelijke rustdagarbeid, en eischt van anderen dit ook te doen, durft dit echter niet ronduit schrijven, maar dan om uw bedoeling te verbergen een onwaar verhaal bedacht. U doet het voorkomen dat de argelooze lezer zoude denken dat U tweemaal achtereen Schokland had aangedaan bij mist, zonder dat de misthoorn werkte, het welk beslist onwaar is.
De mistsirene te Schokland is door het Rijk geplaatst om bij mist in werking gesteld te worden. Indien dit zonder dat ze defect is niet geschied, draag ik hiervoor volle verantwoordelijkheid.
Redacteur, ik ben U dankbaar bij plaatsing, daar dit voor mij de eenige weg is om deze mij onbekende schipper te kunnen bereiken.
Harm Smit.
 
Kennelijk was de streng gereformeerde Harm Smit van mening dat in de vroege morgen van zondag 9 december 1923 de mist nog zodanig was dat het niet nodig was om daarvoor de zondagsrust te verstoren en de misthoorn in werking te stellen.
In 1942 viel Schokland droog bij het aanleggen van de Noordoostpolder. De misthoorn was niet meer nodig, en het gebouwtje werd ontdaan van alle apparatuur. Het leeggehaalde pand zelf mocht gelukkig blijven bestaan. Het werd na de oorlog enige tijd gebruikt als woning. Later is “De Misthoorn”, zoals men het gebouwtje is gaan noemen, een poos gebruikt als bergplaats voor oudheidkundige bodemvondsten, en sinds 1996 is het een klein informatiecentrum.
 
Bruno Klappe, Eindhoven (Schokker Erf 133, p.18-23)