Veldwachter Smit en de versleten molenzeiltjes

Hoe Hendrik Smit, de veldwachter op Urk, in botsing komt met de burgemeester van Urk kunt u in de kroniek lezen. Daar is te lezen hoe Hendrik tot tweemaal toe wordt geschorst, eenmaal vanwege het onrechtmatig toe-eigenen van versleten molenzeiltjes. Op order van de Officier van Justitie wordt hij echter weer in dienst gesteld.

Op deze pagina kunt u lezen hoe diezelfde burgemeester vanwege malversaties tot een jaar gevangenisstraf wordt veroordeeld en ook hoe hij geregeld een rol speelt in verschillende proces-verbalen. Bijvoorbeeld het proces-verbaal waarin de ernstige aanranding van zijn dochter wordt beschreven (en hoe zij ontzet wordt door onze Hendrik). In het proces-verbaal van de gestolen gestreepte vrouwenonderrokken speelt hij ook een belangrijke rol. Dat proces-verbaal heeft de kenmerken van een klucht. De onderrokken zijn van de gemeenteweide ontvreemd. De burgemeester laat de dorpsomroeper rondgaan en gaat als de diefstal daarmee niet wordt opgelost samen met Hendrik Smit op onderzoek uit. Ene Marretje de Boer wordt zwaar onder druk gezet. Een niet onbelangrijk detail, de rokken behoren toe aan het burgemeester-gezin.

Deze speurtocht begon met de vraag of er in de archieven nog sporen terug te vinden zijn van het zeiltjes-incident. Hendrik Smit was 13 jaar lang veldwachter op Urk (1855-1868) en werkte onder drie verschillende burgemeesters. Met welke burgemeester had hij het conflict? Een eerste bezoek van mij aan de archieven in Lelystad bracht wat dat betreft geen opheldering. Ik had ook maar weinig tijd. Sporen van Hendrik in de desbetreffende Urker archieven waren overigens wel snel gevonden.  De Urker begroting van 1856 vermeldt bijvoorbeeld een jaarwedde voor de veldwachter van 250 gulden (+ 10 gulden voor zijn assistent). In de map met inkomende brieven de volgende brief waaruit blijkt dat Hendrik zelfs voor die tijd weinig verdiende.

Haarlem, 3 October 1868 – Afdeling 52, 7267
Vermits Hendrik Smit naar aanleiding uwer missive van den 22 september N. 275, op het daartoe door hem gedaan verzoek bij mijne beschikking van den 2e dezer maand nr 57/7212 1e afd. eervol is ontslagen als Veldwachter uwer gemeenten in te gaan met de 1 november aanstaande, is het nodig dat de vereischte maatregelen worden genomen ten einde gezegde betrekking met even genoemde dagtekening wederom vervuld worde.
De omstandigheid dat de jaarwedde van Veldwachter van Urk slechts f 250, bedraagt zal het wenschelijk doen zijn omtezien naar personen die in het genot van enig pensioen zijn, en overigens de nodige bekwaamheid en geschiktheid bezitten voor de betrekking.
Ik geef u mitsdien in overweging om, voor zover gij niet reeds geschikten gepensioneerden tevens voor de betrekking geschikte militairen in het politieblad en in de dagbladen te doen, die b.v. niet ouder dan 40 jaren zijn en behoorlijk kunnen lezen en schrijven.
Aan den Heer Burgemeester van Urk

Het eerste bezoek aan het Flevoland archief leverde daarmee weinig op. De naam van de betreffende burgemeester wist ik niet eens te achterhalen. Zoeken in archieven is een vak op zich. Bij mijn volgende bezoek zou ik me beter moeten voorbereiden.

De burgemeester was aangeklaagd vanwege valsheid in geschrifte. Toen hij in hechtenis moest worden genomen kwam de Urker bevolking daartegen in opstand. Dat was een opmerkelijke gebeurtenis. Zou dat de landelijke pers hebben gehaald? Een zoekactie in het krantenarchief leverde tot mijn geluk dit artikel op:

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant – 14-03-1862
Jl. zaterdag morgen vertrokken van Enkhuizen naar het eiland Urk een deurwaarder met een brigadier en een ander beambte der rijksveldwacht, belast met de ten uitvoerlegging van een vonnis der regtbank te Hoorn, in raadkamer gewezen waarbij regtsingang met bevel tot gevangenneming was verleend tegen K. Kramer, burgemeester, en een vrouwelijke ingezetene dier gemeente, beschuldigd, naar men verneemt, van valschheid in geschriften of medepligtigheid daaraan. Des avonds echter keerden die beambten onverrigter zake van daar terug, wijl zoowel de beklaagden zelve, als een groot gedeelte der mannelijke bevolking, zich feitelijk tegen de uitvoering van het vonnis hadden verzet, en zij, hoe welberaden ook, met geene andere assistentie dan van den gemeente-veldwachter, wel verpligt waren geweest, tijdelijk voor de overmagt te wijken. Daarop is jl. maandag Z. M. stoomschip Cycloop naar Urk vertrokken, om aan de regterlijke magt de behulpzame hand te bieden.

Vervolgens heeft de Officier van Justitie van de arrondissement regtbank te Hoorn, zich persoonlijk naar Urk begeven, met dat gevolg dat de burgemeester zich in arrest gaf en thans overgevoerd is naar het huis van bewaring te Hoorn

Ook vinden we in de krantenarchieven de uitspraak van de rechtbank. Klaas Kramer wordt tot één jaar gevangenisstraf veroordeeld. Zijn schoonzuster, Jannetje Hakvoort wordt vrijgesproken.

Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage – 11-12-1862

Het zeiltjes-incident moet dus plaatsgevonden hebben in de periode van 1855-1862. Een tweede bezoek aan het Flevolandarchief zou meer moeten opleveren. Als eerste doorzocht ik de notulen van de gemeenteraad van Urk. Die liepen tot 1860:

26 juni 1855 – Notulen Gemeenteraad
Verder heeft de Raad overwogen het aanbesteden van de haven-vuren.
Hierover gedelibereerd zijnde heeft besloten dat de Veldwachter Hendrik Smit /welk thans de post als vuuropsteker provisioneel waarneemt:/ een Request zal indienen aan den Raad om daaruit hun goedgunstig uitslag te vernemen.
Gedaan in de Vergadering van den Raad den 26 Junij 1855.
Burgemeester en Wethouders van Urk

Als laatste in die 1855-1860 notulen een aantekening dat burgemeester Kramer in 1862 voor drie maanden was geschorst. De notulen voor 1861 en 1862 heb ik nog niet weten te traceren.

Tussen de uitgaande brieven zaten bijzondere stukken die een mooi beeld geven van Urk rond die tijd (met uiteraard de nadruk op proces-verbalen, stukken waar de veldwachter in wordt genoemd). Maar allereerst de brief waarin veldwachter Hendrik Smit voor het eerst wordt genoemd. Van spanning tussen de veldwachter en de burgemeester is uiteraard nog geen sprake.

13 september 1855 – Uitgaande brieven
aan den heer Kantonrechter te Enkhuizen.
(…) heb ik de eer aan te bieden
1. De naam van deze onze veldwachter Hendrik Smit
2. De ouderdom zijnde twee endertig jaren
3. Zijne vroegere betrekking als Landschwerker te Leeuwarden op ’s Rijks Staatswegen en voordien tijd was hij gepasporteerd Korporaal bij de 8ste regiment, 1 bataillon, 3de Compagnie Infanteries alwaar hij voor zijne 12 jarige trouwe dienst een bronsche medaille ontvangen heeft.
4. Wat de vervulling van Zijn pligt betreft, daar valt niets op aan te merken uithoofde hij pas den 1e junij 1855 in zijne betrekking als Veldwachter gekomen is. Zo kan ik u niet veel van zijne bekwaamheden mededeelen doch in zoverre hij zich kenbaar heeft gemaakt van deze bovengenoemde betrekking is hij daar alleszins toegeschikt.
De burgemeester van Urk, namens dezelve getekend, J. Nentjes Wethouder.

Hieronder een proces verbaal, gerapporteerd door de veldwachter en opgetekend door de burgemeester. Volgens de kroniek zou de burgemeester de proces-verbalen van de veldwachter niet niet serieus nemen en feit is dat er maar weinig van dit soort proces-verbalen in de uitgaande brieven terecht zijn gekomen.

14 oktober 1857 – Pro Justitia
Op heden den 14e oktober is voor mij, Klaas Kramer, verschenen Hendrik Smit, van beroep veldwachter, wonende te Urk, welke mij te kennen gaf, dat door Evert van Urk, van beroep bakker en winkelier, wonende te Urk, op den 13 dezer, twee koeien en een vaars in de gemeente heeft ingevoerd, en op de gemeente-weide heeft laten grazen, zonder voorzien te zijn van een bewijs dat genoemd rundvee zich in gezonden staat bevond. Hebbende gemelde Evert van Urk zich alzoo schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 1 (…)
Genoemde E. onwillig zijnde de boete te voldoen (…) zoo heb ik dit procesverbaal opgemaakt. Getekend K Kramer

De volgende brief, gericht aan justitie, laat zien dat Hendrik Smit op Urk heel wat te verduren heeft. Ook dat stemt overeen met het beeld uit de kroniek maar daarnaast moet vermeld worden dat twee Urkers voor Hendrik getuigen en dat de burgemeester in dit geval actie ten gunste van Hendrik onderneemt.

21 november 1857 – Pro Justitia
Op heden den 21 november is voor mij, Klaas Kramer burgemeester en als zodanig hulp Officier van Justitie, verschenen Hendrik Smit van beroep veldwachter oud 35 jaren wonende te Urk, welke mij heeft verklaard, dat door Albert Hakvoort van beroep visscher oud 17 jaren en Klaas Hakvoort van beroep visscher oud 15 jaren beide wonende te Urk, met een kruiwagen vuilnis geworpen hebben op de gemeenteweide en zich alzoo schuldig hebben gemaakt aan overtreding van artikel 4 (etc.) dat door den veldwachter H. Smit aan Albert en Klaas Hakvoort wordt gelast dat door hun dat vuilnis moest worden opgenomen en naar den aangewezen plaats moest worden gebragt hetwelk echter door hen geweigerd wordt en toen hem veldwachter hebben uitgescholden voor smeerlap en land opvreter, dat onder die bedrijven door is bijgekomen Tiemen Hakvoort van beroep visscher, oud 32 jaren, die ook in scheldwoorden tegen hem veldwachter is uitgevaren met het schelden van smeerlap, gouwdief, landopvreter en daarenboven nog steenen heeft genomen en daarmede gedreigd te slaan en gezegd ik zal jou daarmede de kop ingooien, hetwelk alles is voorgevallen in tegenwoordigheid van Jacobus Nijman van beroep Bakker, oud 41 jaren en Andries Ras van beroep visscher oud jaren, beide wonende te Urk als getuigen.
En hebben wij hier van dit proces-verbaal opgemaakt, op de Eed bij de aanvaarding onzer bediening afgelegd na voorlezing met de getuigen ondertekend ten dage maande en Jare voormeld.

Getekend: H. Smit, J. Nijman, A. Ras, K. Kramer

Hieronder het bijzondere verhaal over ontvreemde gestreepte vrouwenonderrokken. De burgemeester en de rijksveldwachter zetten Marretje de Boer onder druk en zij bekent uiteindelijk haar misdaad.

15 oktober 1859 Pro Justitia
In den avond van den 15 oktober jaars 1859 is van mij ondergetekende Burgemeester der gemeente Urk, in de nabijheid mijner woning van het gras op de weide ontvreemd of medegenomen, drie stuks zoo goed als nieuwe gestreepte vrouwen onderrokken, welke ter bleek lagen.
Ik heb den volgende dag den omroeper langs de huizen laten omroepen, dat al degene welke drie gestreepte onderrokken had geborgen of gevonden deze bij den Burgemeester kon terugbezorgen tegen eene goede beloning doch niemand heeft zich aangemeld.
Heden den 13 Junij dit jaar is voor mij verschenen, Jacobje van Dokkum, oud 20 jaren wonende te Urk… (hier valt een stuk van het verslag helaas weg – J. A.)

(…) dat het één van de weggenomen rokken was. Ik ben toen met de onbezoldigde Rijksveldwachter Hendrik Smit naar het huis van genoemde Marretje de Boer gegaan en haar gezegd dat deze rok het eigendom van mij was en dat zij vermoedelijk de twee andere rokken ook wel zoude hebben en dat ik gevolgelijk moest doorzoeken. Waarin zij bewilligde. Nadat door ons een kastje en een ladetafel waren doorzocht zeide ik tegen haar: “dat zij den tijd maar niet moest verspillen daar zij toch zeker wel wist op welke plaats zij de onderrokken had verborgen en maar bepaald moest zeggen of zij de rokken had medegenomen, waarop meergenoemde Marretje de Boer antwoordde: “ik heb de rokken medegenomen des avonds ten tien ure van bovengenoemde dag; de beide andere rokken liggen onder het bed” Welke zij ons toen ter hand heeft gesteld en welke nu onder mijne berusting zijn.
Waarvan wij dit proces verbaal hebben opgemaakt op den eed bij de aanvaarding mijner ambt.

Lovende woorden van de burgemeester ten aanzien van Hendrik Smit

5 september, 1860 Aan den heer van Justitie te Hoorn
Naar aanleiding van UEdele missive augustus, heb ik de eer Uedele te berigten dat Hendrik Smit van een zeer goed gedrag is en alle ijver en geschiktheid als Veldwachter in deze gemeente heeft betoond.
Dat zijnen vroegeren werkkring is geweest Korperaal bij de 8e Afdeeling (etc, etc) Kerkelijke gezindheid Nederduits Hervormd. Dat de talreikheid van zijn gezin bestaat uit zijn Vrouw en zijn twee kinderen waarvan de jongste zes jaren is.
Dat hij op den 1 junij 1855 als veldwachter dezer gemeente is benoemd op een tractement van f. 250,- hetwelk geheel uit ’s Rijkskas door het ministerie van Binnenlansche zaken wordt betaald en dat hij deswege geen toelagen deswege van de gemeente geniet.
De Burgermeester van Urk, K. Kramer

De dochter van de burgemeester wordt op de publieke weg door 2 jongens verschrikkelijk aangevallen. Hendrik Smit weet de dochter  te ontzetten en de twee daders te arresteren:

11 november 1860 Pro Justitia
Heden den 11de november van het jaar 1860 de avonds om half negen is voor ons de Klaas Kramer de Burgemeester van de Gemeente Urk en als zodanig Hulp Officier van justitie ter mijn huis verschenen, mijn dochter Harmpje Kramer, zonder beroep, en 16 jaren, wonende te Urk, welke mij verklaarde dat zij des avonds ter ? uren op bovengenoemde dag, uit de woning van Jelle Roos is gegaan om naar haar ouderlijke huis te gaan, dat zij vergezeld was van Hendrikje Roos, zonder beroep, oud 15 jaren, die haar een eind weg vergezelde, dat toen zij op de publieke weg waren door 2 jongens verschrikkelijk zijn aangevallen en haar eer haar hebben zoeken te ontroven, dat zij door de ene jongen is vastgehouden en door de ander haar rokken over het hoofd hebben geworpen en haar zo op een verre gaande schandelijke wijze hebben mishandeld, dat toen op het hulpgeschrei van haar de Rijksveldwachter H. Smit die in de nabijheid was, is toegelopen en heeft alzo de beide daders van het feit, met namen Gerrit de Boer oud bijna 21 jaar en Luut Kamper, oud 15 jaar, en beiden van beroep visser en wonende te Urk voor mij gebracht en hebben beleden het feit gepleegd te hebben
Dat deze aantasting van hare eerbaarheid zo heeft ontsteld dat zij onmiddellijk naar bed moest gaan en dadelijk geneeskundige hulp heeft in moeten roepen waarvan wij dit proces verbaal hebben opgemaakt op den eed bij de aanvaarding van onze dienst te hebben afgelegd en na voorlezing met deze comparanten met is getekend ten dagen en jaren als bovengenoemd

Get. H. Kramer K. Kramer H. Smit

Met aansluiten de getuigenis van Hendrikje Roos
“Hierop heb ik voor mij doen compareren, Hendrikje Roos, zonder beroep, oud 15 jaren, wonende te Urk welke mij verklaarde dat zij Harmpje Kramer een einds wegs vergezelde naar haar ouderlijke woning, dat zij beide toen zijn aangevallen door Gerrit de Boer oud bijna 21 jaar en Luut Kamper, oud 15 jaar, beide visschers te Urk, dat zij comparant hebben ontvlugt maar dat zij Harmpje Kramer hebben aangepakt en haar eerbaarheid hebben zoeken te ontroven Dat zij Hendrikje Roos daar op om hulp te roepen is naar huis gegaan doch toen zij eerder terugkwam Harmpje Kramer haar schrijende tegemoet kwam, waar van wij dit proces verbaal opgemaakt op den eed bij de aanvaarding onzer bediening afgelegd en na voorlezing met de comparante getekend.
Get. H. Roos – K. Kramer

Van spanning tussen veldwachter Hendrik Smit en Burgemeester Kramer blijkt dus niets uit bovenstaande  documenten. Mijn zoektocht naar het molenzeiltjes incident in de archieven is vooralsnog tevergeefs gebleken. Burgemeester Kramer is eind 1860 zelfs lovend over Hendrik Smit (“heb ik de eer Uedele te berigten dat Hendrik Smit van een zeer goed gedrag is en alle ijver en geschiktheid als Veldwachter in deze gemeente heeft betoond“.  Het zeiltjes incident zou daarmee in 1861 moeten hebben plaatsgevonden want begin 1862 wordt de burgemeester gearresteerd. Dat maakt de periode waarin Hendrik tweemaal zou zijn geschorst en tweemaal weer in functie herstelt wel erg kort.

Ook opmerkelijk: volgens de kroniek was Hendrik Smit na de arrestatie van de Burgemeester niet meer te handhaven op Urk: “De bevolking gaf hem de schuld van het onheil, dat hun Burgemeester was overkomen“. Maar Hendrik bleef na de arrestatie nog zes jaar als veldwachter werkzaam op Urk!

Er blijven dus nog genoeg vragen onbeantwoord. Hendrik wordt bijvoorbeeld geregeld in de stukken als onbezoldigd veldwachter opgevoerd (terwijl de Urker begroting een jaarwedde van 250 gulden voor de veldwachter laat zien).

Fun fact: De totale Urker bevolking bestond rond 1860 uit niet veel meer dan 1600 zielen.
Foto’s van de originele stukken kunt u hier vinden.


Aantekeningen voor een volgende bezoek aan het Flevoland Archief
Geraadpleegde documenten:
– Urker begrooting – 1858
– Binnenkomende brieven – 18?? tot 1868
– “Notulen van de vergaderingen van de raad, 1853-1949.” – 1853 – 1860
– Uitgaande brieven – 1853 – 1860

Documenten (niet direct gerelateerd aan onze veldwachter) die de aanstelling van Jannetje Hakvoort als vroedvrouw betreffen. Jannetje is de schoonzus van Burgemeester Klaas Kramer. Vanwege de malversaties van de burgemeester ga je toch even aan nepotisme denken.

22 april 1858
Gelet op de missive van de commissie van Geneeskundig onderzoek wordt Geertruida Eenhorst als vroedvrouw eervol ontslagen. Ze krijgt een pensioen van 150 gulden jaarlijks. Dat pensioen wordt onmiddellijk ingetrokken als Geertruida vrouwen binnen de gemeente bijstaat in zaken de verloskunde betreffende. Geertruida overleden: 23 feb 1866 (Leeftijd: 82-83)

15 April 1858
Jannetje Hakvoort wordt aangesteld als vroedvrouw op een jaarlijks tractement van 200 gulden, benevens vrije woning onder bepaling dat van genoemd tractement eene som van vijftig gulden zal worden afgestaan voor Geertruida, haar leven lang. Bij overlijden van G. zal genoemd tractement aldadelijk door Jannetje worden genoten.

11 april 1862
Zolang Jannetje Hakvoort buiten betrekking is kan een pensioen niet hoger dan 100 gulden worden opgevoerd.

Maar het lijkt allemaal in orde.


Burgemeester Kramer schrijft: “Dat hij op den 1 junij 1855 als veldwachter dezer gemeente is benoemd op een tractement van f. 250,- hetwelk geheel uit ’s Rijkskas door het ministerie van Binnenlansche zaken wordt betaald en dat hij deswege geen toelagen deswege van de gemeente geniet“. Hendrik krijgt blijkbaar geen toelage voor het aansteken van de havenlichten of voor het beheer van de watermolen en dat komt volledig overeen met de kroniek van zijn kleinkind Harm Smit:

“Maar deze (de burgemeester), zelf Urker zijnde, voelde zich teveel medeburger om deze dingen serieus te nemen en vond het beter dat Smit als huisknecht van hem zoo nu en dan wat deed dan zich met de huishoudelijke dingen van de burgers dik te maken. Een put graven, waar de Burgemeester des winters het drinkwater voor zijn koeien uit kon laten scheppen of pompen, de zorgen voor de watermolen, die het weiland van het overtollige water ontdoet of andere belangrijke dingen doen, achtte zijn chef praktischer.”