Hendrik Smit 1823-1875
Veldwachter op Urk

Hendrik is allicht de meest markante Smit-Schoklander. Zijn felle karakter spreekt uit de botsing met zijn directe superieur, de burgemeester van Urk. In detail beschreven door zijn kleinzoon Harm Smit:

Hendrik, veldwachter op Urk
In de loop van het jaar 1855 werd Hendrik Smit door medewerking van civiele en militaire autoriteiten (term uit het paspoort) benoemd tot gemeenteveldwachter op Urk. Hij wordt hierdoor in de gelegenheid gesteld zijn aan orde en tuchtgewend leven in toepassing te brengen in zijn dagelijkse tak. Hij begon dan ook als oud-militair en stadsburger en stoere Fries zijn loopbaan op het genoemde eiland. De opkomende jeugd maande hij tot geregelde wandelingen en geregelde omgang. De huismoeders gelastte hij hun huisafval naar de bestemde plaats te brengen en zo één en ander niet naar zijn orders gebeurde, noteerde hij dit in zijn boekje en bracht bij zijn chef de Burgemeester rapport uit. Maar deze, zelf Urker zijnde, voelde zich teveel medeburger om deze dingen serieus te nemen en vond het beter dat Smit als huisknecht van hem zoo nu en dan wat deed dan zich met de huishoudelijke dingen van de burgers dik te maken. Een put graven, waar de Burgemeester des winters het drinkwater voor zijn koeien uit kon laten scheppen of pompen, de zorgen voor de watermolen, die het weiland van het overtollige water ontdoet of andere belangrijke dingen doen, achtte zijn chef praktischer.

Smit, als goed soldaat, wist echter van “halt en front”. Toen zijn notities niet verder kwamen dan de prullenmand van de Burgemeester werd hij opstandig en ging met zijn processen naar de Officier van Justitie te Hoorn. Het gevolg was schorsing in Zijn dienst en molest van de zijde der baldadige jeugd, die nu vrij spel had. Zijn en persoon werden het mikpunt van allerlei plagerijen. Op een avond , toen het hem te machtig werd en hij, vertrouwend op zijn vaardigheid in het schermen, de jongens een hardhandige les wilde toedienen, had men een net voor zijn deur gespannen, ving hem daarin op en hij was de speelbal van de ergste belhamels.

Op order van de Officier van Justitie werd hij echter weer in dienst gesteld maar toen was zijn dagelijks bestaan alles behalve prettig geworden.

Ook de kerkelijke verhoudingen ten aanzien van  zijn persoon boden geen genoegzaam tegenwicht voor zijn zwaar geworden dagelijkse leven, want toen hij belijdenis wenschte te doen, vond de Kerkeraad der Chr. Geref. Kerk redenen in zijn ambt om hem niet toe te laten tot de Kerkelijke gemeenschap. Ook rustte de Burgemeester niet voor hij nieuwe redenen tot schorsing had gevonden. Hij vond ze in de volgende geschiedenis: De zeiltjes van de reeds genoemde watermolen moesten dor nieuwe vervangen worden. De zorg hiervoor was aan Smit opgedragen. Een der wethouders, die tevens zeilmaker was, was Smit hierbij behulpzaam en vond het maar het beste, dat Smit die lappen maar mee nam naar huis. Dan konden ze nog wel eens gebruikt worden over het kippenhok van Smit. Deze had die raad, zonder verder nadenken, opgevolgd, maar ze hadden buiten de waard, in dit geval de Burgemeester, gerekend. Deze vatte het medenemen der oude zeilen op als diefstal. Gevolg schorsing en procesverbaal of omgekeerd.

Ten tweede male weer opheffing der schorsing van Hogerhand, maar het conflict tusschen Chef en ondergeschikte was daarmede niet ten einde. De Burgemeester, die ook tevens aannemer van Rijkswerken was, had iemand in vertrouwen genomen tot het innen der voorkomende mandaatsgelden. Toen deze persoon plotseling overleed, moest iemand gevonden worden, die de overledene kon vervangen en die niet gevaarlijk was uit financieel oogpunt. Iemand werd daartoe alzo, onder toezegging van beloning, overgehaald en gebruikt. Deze zaak werd echter ruchtbaar. Het gevolg was dat Burgemeester beklaagde werd wegens oorzaak geven tot valsheid in geschrifte en nog andere dingen. De veroordeling was niet licht. Toen echter de dag aankwam, dat de Burgemeester zich in hechtenis moest begeven, kwam de bevolking daartegen in opstand. Men wilde zijn eerste burger niet laten gaan. Eerst een bedreiging met militaire maatregelen kon de Burgemeester bewegen zich met zijn eigen visschuit naar Hoorn te begeven. Te middernacht vertrok hij om de bevolking niet verleiding te brengen het te verhinderen. De militaire macht, in de vorm van een politieboot met twee kanonnetjes aan boord, kon toen naar zijn standplaats Den Helder terugkeren.

De positie van Hendrik Smit was op Urk nu echter onmogelijk geworden. De bevolking gaf hem de schuld van het onheil, dat hun Burgemeester was overkomen.

Het eiland Schokland was inmiddels door de oorspronkelijke bevolking verlaten en werd thans bewoond door drie Rijksbeambten, nl. van Marle aan de haven te Emmeloord, Ras op “Ens” en van Eerde op Oudekerk. De eerste als Rijksarbeider, tevens lichtwachter, De tweede als Rijksarbeider, tevens belast met peilwaarnemingen. En de derde als lichtwachter.

De plaats van Ras kwam echter open door chronische ziekte van genoemde en Hendrik Smit werd door de nieuwe burgemeester van Urk, bij de Directie van de Rijkswaterstaat, aanbevolen in de plaats van Ras te “Ens”. De verhuizing naar deze eenzame plaats was voor de jongere leden van het gezin Smit en ook voor hemzelf het begin van een nieuw tijdperk.
Kroniek Harm Smit, De Familiegeschiedenis 1800 – 1854

Rijksarbeider, tevens belast met peilwaarnemingen
Hendrik werd dus in 1868 na een 13-jarig dienstverband als veldwachter (eervol) ontslagen. De betreffende ontslagbrief is nog in ons bezit. Op Schokland kreeg Hendrik de functie van rijksarbeider en werd volgens de kroniek tevens belast met de peilwaarnemingen. Opzichter de Kievit stuurde hem pas in november 1875 deze brief met gedetailleerde instructies:

Wanneer de aanvulling van de buis nu gereed is, moet worden nagegaan tot welke hoogte de wel het water opvoert. Om dit te bepalen is het nodig dat het water tot een vast peil wordt afgeschept en opgenomen wordt hoe hoog de gedurige rijzing is.

Begin dus met het water af te scheppen tot 3.50 M beneden de bovenkant kleine buis. na twee uur gaat ge na hoe hoog het water gestegen is en schept het weer af tot de hoogte van 3.50 M – buis, enz. Hiervan kunt ge dan een staatje opmaken dat ik den Hoofdingenieur kan inzenden, waarmede ge dinsdag beginnen kunt, als ge namelijk maandag naar Kampen moet. Die staat moet ge maar inrigten volgens onderstaand model.

Een paar weken later, begin december, kreeg Hendrik deze brief met kritiek:

(…) daar onze staten aan het Ministerie komen, is het een vereischte dat onze staten zo nauwkeurig mogelijk zijn en zooals tot nu toe de de hooge en lage standen zijn opgeven zijn zij niet nauwkeurig.

Diezelfde maand overlijdt Hendrik tijdens een bezoek van de opzichter (een dramatische gebeurtenis die beschreven staat in de kroniek). Kan het zijn dat Hendrik maar enige weken de peilwaarnemingen heeft verricht of was er een nieuw systeem ingevoerd?

Onbezoldigd veldwachter op Schokland
Hendrik kreeg tevens een aanstelling als onbezoldigd veldwachter maar op het eenzame Schokland was er uiteraard weinig te verbaliseren. Als er dan toch iets gebeurde leefde Hendrik zich uit in schrijven van een spannend proces-verbaal, doorspekt met ambtelijk taalgebruik (“op de bovengenoemde datum met het laatstgemelde vaartuig“. Het proces verbaal (geschreven in 1870) is nog steeds in ons bezit. Zie hier het transcript, een absolute aanrader om te lezen.

Lijsebet Smit, gewettigd bij huwelijk, geboren als Lijsebet Snoek.
Hendrik en zijn vrouw Jannetje Snoek kregen twee kinderen. Lijsebet en Lammert. In de kroniek krijgt Lijsebet een korte vermelding:

Na een afwezigheid van bijna 14 jaar kwam Hendrik, maar nu met vrouw en dochter, terug in zijn vaderstad Leeuwarden. De kleine Betje was nu dus gelijk bij Grootmoeder, en de ouders zochten door stage arbeid in hun levensbehoeften te voorzien.“.

Lijsebet Snoek (geboren 1852 te Urk) werd in 1853 gewettigd bij huwelijk. Dat is minder spannend als het klinkt. Het echtpaar had toen namelijk al enkele jaren een relatie.

Lijsebet trouwde op 25 jarige leeftijd met Riekelt Kramer. Ze kregen drie kinderen. Lubbertje (1877), Hendrik (1879) en Cornelia Kramer (1881). Twee jaar na de geboorte van Cornelia stierf Lijsebet in het kraambed, op 31 jarige leeftijd.

Lubbertje Kramer haar zoon werd visser en trouwde met Marretje Loosman. Cornelia trouwde op twintigjarige leeftijd met Meindert de Jonge, uiteraard ook een Urker visser. Hendrik Kramer overleed op 25-jarige leeftijd. Gebeurtenisplaats: Zandvoort. Verdere details zijn onbekend.

Lubbertje Kramer is in 1937 te Urk overleden. Samen met zijn vrouw Marretje (ovl. 21 okt 1964) ligt hij begraven op het Oude Kerkhof, graf 126.

Paspoort van Hendrik Smit
Hendrik Smit zag er uit als een echte Fries: blond haar (inclusief de wenkbrauwen). blauwe ogen, 1,67 (1 el, 6 palmen 7 duimen 5 strepen), hoog voorhoofd, mond groot, neus dik, aangezicht en kin ovaal, geen bijzondere kenmerken. Hendrik was dus niet de dwerg die onder onze voorouders zou hebben gezeten. Wellicht is dat verhaal de wereld in geholpen door iemand die het omrekenen van ellen, palmen, duimen etc naar meters niet goed onder knie had. Dezelfde iemand die andere fabeltjes (zie hieronder) de wereld inhielp.

Bronzen Medaille voor trouwe dienst

Binnen de familie ging het verhaal dat een voorouder vanwege uitzonderlijke moed door de koning onderscheiden was met een heuse medaille. Hij zou deelgenomen hebben aan de veldtocht tegen de Belgen in 1831. Dat verhaal moeten we helaas naar het land der fabeltjes verwijzen. Hendrik kreeg inderdaad in 1852 een bronzen medaille voor 12 jaar trouwe dienst. Daar is het jammer genoeg bij gebleven. Eenzelfde lauwer te behalen voor Moed en Beleid (waartoe hij op onderstaande oorkonde wordt aangespoord) is hem niet meer gegund. Waar is die bronzen medaille eigenlijk gebleven?