Pier Hendrik Smit 1794 – 1848
Flankeur

Oudvader, geboren 1794 te Drachten.

Dit weten we over onze oudvader via de familiekronieken. Zijn vrouw Elizabeth IJpes was rooms-katholiek, Pier’s beroep gevangenbewaarder, ze woonden in Leeuwarden in de buurt van de gevangenis, ze kregen een zoon Hendrik Smit. Pier nam “Smit” als achternaam, zijn enige broer koos “Posthuma” als familienaam.

Die gegevens zijn via overlevering doorgegeven en pas anderhalve eeuw na dato op schrift gesteld. Het is in zo’n geval interessant te onderzoeken in hoeverre de familieoverlevering overeenkomt met de archieven en dat onderzoek hebben we dan ook gedaan (met grote dank aan Jacqueline van het stamboomvragenforum).

Het klopt dat Pier een broer had, Jan Hendriks Posthuma (1797-1891) en dat de broers een verschillende achternaam hebben gekozen. Jan Hendriks (hij krijgt een uitgebreid nageslacht met een schare nakomelingen in de USA) latiniseerde zijn achternaam. Zijn vader Hendrik Pier (1770-1822) en grootvader Pier Piers (1741-1817) worden in de archieven vermeld met de achternaam Postma.

Maar waarom nam Pier Hendrik de naam Smit aan? Welnu, die grootvader was een grofsmid. Het is aannemelijk dat Pier Hendrik daarom de familienaam Smit heeft aangenomen

Dat Pier en Elisabeth in de buurt van de gevangenis woonden, dat Elisabeth rooms-katholiek was, het wordt door de historische archieven allemaal bevestigd maar het blijkt dan wel dat je op basis van dat soort summiere informatie voorzichtig moet zijn met “historisch romantiseren”. Onze opa beschrijft Pier als een brave huisvader die het rustige leven van een ambtenaar voorstaat. Wat hij niet vermeldt en waarschijnlijk ook niet wist: Als Pier Hendrik rond 1820 gaat samenwonen met Elisabeth heeft zij al een zesjarige dochter. Pier trouwt níet met Elisabeth en laat na een aantal jaren zijn gezin in de steek. Hij trouwt vervolgens met zijn nicht, Janke Posthumus en na de dood van Janke gaat hij nog een relatie aan met ene Johanna Griek. 

Of Pier inderdaad gevangenbewaarder is geweest hebben we niet bevestigd gezien maar zo’n vervolg in zijn carrière ligt wel voor de hand. Pier Hendrik was namelijk tot 1821 flankeur in het Nederlandse leger.

Flankeurs hadden de taak om heel actief aanwezig te zijn, gericht te kunnen schieten en veel eigen initiatief te tonen. Deze eenheden waren zeer geliefd bij de (studenten-)vrijwilligers van 1814-1815 en 1830 (Wikipedia).

Onze Pier heeft zelfs nog meegedaan aan het beleg van Naarden in 1814. Het heeft dus echt niet aan Pier gelegen dat zijn nageslacht vooral is gaan bestaan uit brave oppassende ambtenaren.


Elisabeth Ypes had al twee kinderen gekregen voor ze Pier ontmoette:

  • Kind van Elisabeth en Bernardus Korfagie: Elisabeth Korfagie. Zij is gedoopt op 05-03-1809 in Leeuwarden, RK statie Het Klooster. Elisabeth is waarschijnlijk overleden vóór 1813, ten hoogste 4 jaar oud.
  • Kind van Elisabeth en Barend van Aken: Sophia (Stijntje, Stientje) van Aken, in onecht geboren op 06-09-1813 in Den Helder.

Elisabeth gaat dus rond 1820 (met zesjarige dochter Sophia) samenwonen met Pier. Ze trouwen niet (misschien omdat Elisabeth nog getrouwd is met Barend van Aken). Elisabeth en Pier krijgen vier kinderen waarvan alleen Hendrik, de toekomstige veldwachter, de volwassen leeftijd bereikt. Pier erkent de kinderen die uit de relatie geboren worden

Pier verlaat Elisabeth (in elk geval ná 1828) en hij trouwt in 1938 met zijn nicht Janke Piers Posthumus. In 1839 krijgen Pier en Janke een dochter, Geertje Smit. Janke overlijdt twee jaar later. Het leven van Geertje is een treurig verhaal. Op haar tiende is Geertje al wees. Ze overlijdt op 32-jarige leeftijd te Ommerschans met als opgegeven beroep koloniste. Ommerschans was een bedelaarskolonie.

Hoe verging het onze stammoeder, Elisabeth Ypes? Een volkstelling van 1839 vermeldt dat Elisabeth woonachtig is in wijk D, op nummer 13 (een paar huizen verwijderd van het adres waar ze met Pier heeft gewoond). Ze is dan 57 jaar. In hetzelfde pand woont haar zoon Hendrik (17) en dochter Sophia (24) en de onwettige zoon van Sophia,  Jan (½). Hendrik Smit, de toekomstige veldwachter, gaat daarna al snel het leger in. Veertien jaar later trekt hij, samen met vrouw en dochter Lijsebeth, weer voor twee jaar in bij zijn moeder om vervolgens veldwachter op Urk te worden.

Vanaf 1859 woont Elisabeth bij het gezin van haar dochter Sophia.  Jan wordt later kastelein. Hetzelfde beroep dat zijn oma Elisabeth na het vertrek van Pier heeft uitgeoefend.

Elisabeth overlijdt op 23-10-1861 in Leeuwarden, 74 jaar oud. Bij haar overlijden staat vermeld dat zij weduwe is van Barend van Aken en eerder van Bernardus Korfagie.

Pier overlijdt op 25-06-1848 in Heerenveen, 53 jaar oud en heeft dan een relatie met Johanna Griek (1832-1913) met wie hij volgens zijn overlijdensakte getrouwd is. Janke Piers Postma wordt als weduwe vermeld.

Onbekend met de bovenstaande gegevens schreef een onbekende chroniqueur in 1941 te Schokland het volgende:

Wat een drukte en ellende kan één zoo’n kerel toch op de wereld veroorzaken, zei Pier tegen zijn vrouw Elisabeth IJpes; ‘k wou dat ik die geweldenaar (Napoleon) maar eens onderdak moest verschaffen, dan zou ik hem wel leren, ‘k heb nog ruimte genoeg ondanks de slechtheid der wereld. Eerst alles overhoop slaan, verbranden, weghalen of afbreken wat hem niet goeddunkt en nu mijn naam ook nog veranderen. Waar zal het nog eens een einde nemen.

Zoo zal Pier Hendriksz wellicht gesproken hebben, de altijd rustige en kalme gevangenbewaarder van de strafgevangenis te Leeuwarden, toen hij ’t keizerlijk bevel onder zijn ogen kreeg dat ieder een vaste naam moest kiezen voor eens en altijd vast.

Hoe het ook zij, voordat Napoleon naar Helena ging, heeft Pier Hendriksz de naam “Smit” verkozen als familienaam voor hem en zijn nageslacht, en die naam zou jaren later ook verbonden worden aan een eiland, niet St Helena, maar zoals het weleens genoemd wordt ’s Hollandsch St. Helena n.t. Schokland.

In het voorbijgaan gezegd, deze vergelijking is steeds door de familie Smit (en terecht) met verontwaardiging van de hand gewezen, wie die vergelijking maakt kent Schokland net zoo min als St. Helena.

Dat de grote veldheer-keizer overigens nog al soepel was, wat betreft het aannemen van namen blijkt intusschen wel uit het feit dat de enige broer van Pier Hendriksz niet “Smit” maar “Posthuma” aannam. Als wij die naam letterlijk op mogen nemen, zou daar uit blijken dat de broer van Pier de jongste was want Posthuma betekent eigenlijk: “na de dood mijns vaders geboren”; of dat zo is geweest, is niet bekend.

Veel is er trouwens niet bekend van de stamvader van de familie Smit. Als ambtenaar leefde hij met zijn vrouw Elizabeth IJpes heel rustig temidden van dieven en moordenaars struikrovers en ander geboefte dat door den sterken arm der gerechtigheid aan de samenleving ontrukt was. Een rustige en vaste positie dat was het ideaal van Pier, en zijn meeste nakomelingen na hem. Uit niets is gebleken dat hij eenig belang stelde in godsdienst staatsinrichting kunst en cultuur. Van zijn vrouw Elizabeth is echter bekend dat zij een trouwe dochter der moederkerk was, haar hoop stelde en troost verwachtte van de Heilige Maria de gezegende Moeder Gods. Nooit heeft zij haar verknochtheid kunnen verloochenen, al is haar nakroost dan ook afvallig geworden, om zich te scharen onder de “nye leer” van den grooten Calvijn.

Tijdens de restauratie van het door den oorlog ontwrichtte Europa, werd uit het huwelijk van Pier en Elizabeth hun eenige kind geboren en wel op 30 sept 1832. Zijn naam was: “Hendrik Smit”

Ook opa Harm Smit waagde zich aan het historisch romantiseren. Zijn de zwakke luchtwegen van Hendrik gebaseerd op feiten of vooral ingegeven door opa’s  hekel aan wierook?:

“Ja vrouw, ik zeg je, voor een flinke jongen als Hendrik is, kan ik me niets beters voorstellen als de militaire dienst.”

“Maar man”, zegt moeder Betje, “de jongen heeft een zwakke borst. Als hij naar de mis gaat, heeft hij nog last van de wierookdamp. Ik heb er met heeroom al over gepraat om hem maar niet naar de kerk te sturen.”

“Jij met je pastoor altijd, ik geloof dat de jongen ook liever niet naar de kerk gaat.”

“Nou Pier, dat moet je niet zeggen. Als hij niet graag naar de mis gaat, is het alleen om de benauwde lucht. Hij is veel liever buiten, zegt hij, maar als het koud is, heeft hij het ook vaak op de borst.”

“Nou Betje, ik geloof dat het voor de jongen goed is. Orde en tucht en goed eten en geen zwaar werk, en na een jaar of wat een goed paspoort en dan helpen alle militaire en civiele autoriteiten je voort. Je kunt het aan mij zien. Ik heb nu toch ook een vaste betrekking, al is het niet zo mooi op gevangenen te passen. Maar als je hier in Friesland bij de boer moet werken of bij de contributie, is het ook niet te best.”

Een dergelijke gesprek had men kunnen afluisteren in een woning, nabij het verblijf der zware gevangenen te Leeuwarden omstreeks het jaar 1840, tussen de gevangenbewaarder Pier Hendriks en zijn vrouw Elisabeth IJpes.
Vader Pier, in hart en nieren dienstman, kon zich geen hoger ideaal denken dan de Dienst onder de Overheid des lands.
Moeder Elisabeth achtte als katholieke vrouw de overheid van het land niet zoo hoog en ging liever te rade met het kerkelijke gezag. Ze had er ook voor gezorgd dat hun jongen op tijd aangenomen was.
De bezwaren van Moeder de vrouw waren echter niet voldoende om Vader Pier van zijn ideaal af te brengen en Hendrik in het burgerlijke leven te houden.
Op 16-jarige leeftijd kreeg hij het militaire pakje aan en was gedurende twee zes-jarige perioden als vrijwilliger in de verschillende garnizoensplaatsen gelegerd.

(…)

Na een afwezigheid van bijna 14 jaar kwam Hendrik, maar nu met vrouw en dochter, terug in zijn vaderstad Leeuwarden. De kleine Betje was nu dus gelijk bij Grootmoeder, en de ouders zochten door stage arbeid in hun levensbehoeften te voorzien. Toen echter na enige tijd Lammert (23 Februari ’54) geboren werd, was daarmede de behoefte grooter en de werkkracht buiten huis gehalveerd. Daar Hendrik van jongsaf geen zwaar werk gedaan had, viel het hem moeilijk alle voorkomende arbeid te verrichten. Er kwam echter verandering. In de loop van het jaar 1855 werd Hendrik Smit door medewerking van civiele en militaire autoriteiten (term uit paspoort) benoemd tot veldwachter op Urk.

Via de de burgerlijke stand archieven (https://wiewaswie.nl/) konden we nog het volgende achterhalen:

Pier en Elisabeth woonden inderdaad op loopafstand (180 mtr) van de gevangenis (Wirdumer-Achterom of Reigerstraat 4). In dat huis woonden 3 gezinnen met in totaal 18 inwoners (zie volkstelling 1829). Hendrik Smit was niet hun enige kind. Drie jaar na Hendrik werd op 9 januari 1825 nog een tweeling geboren (Jan en Geertje Smit). De tweeling leefde niet lang, Geertje 18 maanden, Jan stierf op zijn vijfde. Uit de overlijdensakte is op te maken dat Elisabeth naaister als beroep heeft opgegeven en niet kon schrijven. Pier zijn beroep is arbeider.

Opvallend het verschil in handtekening op de overlijdensakte vergeleken met de krachtige handtekening van Pier op de geboorteakte van Hendrik. Het leed dat Pier moet hebben ervaren kun je er vanaf lezen.


Pier Hendrik Smit is dus de bet-bet-bet-bet-bet-overgrootvader van Nils Smit. Gaat de familie SmitSchokland op dezelfde leest voort dan zal er mogelijk in 2217 een zoon zijn die Nils Smit als bet-bet-bet-bet-bet-overgrootvader heeft… en mogen we de meest recente wetenschap geloven dan bestaat er zelfs de mogelijkheid dat Nils in 2217 nog in leven is.