Veldwachter Smit in Urker Volksleven

Lub van den Berg schreef onderstaand verhaal. Het werd gepubliceerd in het Urker Volksleven, het tijdschrift van de Vereniging Vrienden van Urk. jaargang 46, nummer 4 en 5.

Op 1 juni 1855 wordt Hendrik Smit uit Leeuwarden benoemd tot gemeenteveldwachter op het eiland Urk, wat toen zo’n 1100 inwoners telde. Hendrik is een echte Fries, 32 jaar oud en 1,67 m lang, blond haar en blauwe ogen met een grote mond en een dikke neus. Hij was in Leeuwarden lid van de Nederduits Hervormde kerk.

Waarschijnlijk is Hendrik Smit niet de eerste veldwachter op Urk geweest, maar hij zal niet veel voorgangers hebben gehad. Veldwachters waren politiemannen die dienst deden in de kleinere gemeenten, vaak oud-militairen. Die waren immers gewend aan orde en tucht en konden meestal redelijk lezen en schrijven. Dat laatste was wel zo makkelijk want dan konden ze de Algemene Politieverordening bestuderen, zodat ze wisten wat wel en niet toegestaan was, en een proces-verbaal schrijven. Een echte politieopleiding bestond nog niet, en je kon daarom nauwelijks van een professionele politieman spreken. Je werd vooral aangenomen als je er stevig uitzag en liefst met een paar grote handen waar je een flinke tik mee kon uitdelen. Veldwachters werden dan ook in de ogen van de gemeenten niet echt belangrijk gevonden en boezemden vaak niet veel ontzag in.

Ook Hendrik Smit heeft dan al een carrière als militair achter de rug. Op zijn 16de was hij het leger ingegaan, en in zijn garnizoensplaats Hoorn ontmoette hij op een zondagavond bij een, wat we nu zouden noemen, Bijbelstudieclubje, het Urker meisje Jannetje (Jans) Snoek.
Zij was op jonge leeftijd gaan ‘dienen’ bij een boer aan de Zeedijk bij Edam en later bij families in Hoorn.In 1852 kreeg het nog ongetrouwde stel een dochter Lijsebet (Betje), waarna ze in 1853 trouwden. Hendrik was korporaal met 12 dienstjaren en moest kiezen, of promoveren en naar Indië, of de dienst verlaten. Het werd het laatste, en Hendrik ging na een afwezigheid van 14 jaar met vrouw en dochter terug naar Leeuwarden. Hij pakte daar al het voorkomende werk aan, maar Hendrik was als militair niet gewend aan zwaar lichamelijke arbeid, en toen in 1854 zoon Lammert geboren werd ging hij op zoek naar een andere baan. Omdat zijn vrouw graag weer bij haar familie wilde wonen, kwam de vacature voor veldwachter op het eiland als geroepen. Hendrik Smit werd aangenomen en werd zo veldwachter op Urk.

Een foto van rond 1900, maar 50 jaar ervoor zag Urk er vermoedelijk niet veel anders uit.

Veldwachters werden meestal betaald door de gemeenteraad, maar Hendrik krijgt een jaarwedde van 250 gulden die uit de Rijkskas van het ministerie van Binnenlandse Zaken wordt betaald. De gemeente Urk geeft hem extra taken, zoals het dagelijks aansteken van de havenlichten en het beheer van de watermolen die het weiland van het overtollige water moet ontdoen. Hendrik Smit krijgt daar echter geen cent méér voor betaald.

Smit verdient 250 gulden per jaar, nog geen vijf gulden per week, terwijl het gemiddelde weekloon van een arbeider in die tijd acht gulden bedraagt. Het is dus geen vetpot in huize Smit.
Hendrik kwijt zich evenwel van zijn taak, hij tracht de opgroeiende jeugd in het gareel te houden en de huismoeders gelast hij hun huisvuil naar de bestemde plaats te brengen. En als dat niet naar zijn orders gebeurt noteert hij dit in zijn boekje en brengt bij zijn chef, de burgemeester, rapport uit. De burgemeester was (en is nu nog steeds) hulpofficier van justitie en kon dus ook zelf een proces-verbaal opmaken.

Klaas de Grote
Anders dan nu was de burgemeester de directe chef van de veldwachter. Deze burgemeester, de Urker Klaas Kramer, was in 1853 Nentjes opgevolgd. Kramer was tot die tijd broodbakker geweest en was iemand met een helder verstand en een behoorlijke ontwikkeling, maar ook ‘hoog van statuur’, waardoor de bevolking hem spottend de bijnaam ‘Klaas de Grote’ gaf.

Kramer neemt de aangebrachte overtredingen van de veldwachter niet zo serieus en vindt het beter dat Smit als zijn knecht dingen voor hém doet in plaats van zich druk te maken over huishoudelijke zaken van de burgers. Zo moet Smit bijvoorbeeld een put graven voor de burgemeester, waar die in de winter het drinkwater voor zijn koeien uit kan pompen.

Die burgemeester Kramer blijkt een merkwaardige man te zijn geweest. In 1856, twee maanden voor zijn herbenoeming, houdt hij een zeer vrome redevoering, waar de hele gemeenteraad van onder de indruk is. Omdat de burgemeester tevens gemeentesecretaris is, maakt hij zelf de notulen. Die van Kramer zijn normaliter erg beknopt, maar deze toespraak wordt in zijn geheel genotuleerd, en de Urker gemeenteraad is daarmee zeer tevreden. Wat de reden is voor deze vrome toespraak wordt ons later duidelijk.
Een paar opmerkelijke onderzoeken waarbij onze veldwachter en de burgemeester bij betrokken waren gaan we nu eens wat meer uitdiepen.

Op de lege wagen poseren v.l.n.r. Jacob Post, Louwe van Dokkum, Lub Weerstand en Klaas Asma

Gestolen onderrokken
Op een zonnige dag in oktober 1859 heeft de vrouw van burgemeester Kramer op het gras van de weide vlakbij de woning de was neergelegd om te drogen, hieronder een drietal rokken die ter bleek lagen. Die drie zo goed als nieuwe gestreepte onderrokken blijken in de avond echter verdwenen te zijn. De burgemeester laat de volgende dag de omroeper langs de huizen gaan die roept dat degene welke drie gestreepte onderrokken had geborgen of gevonden, deze tegen beloning bij de burgemeester kon terugbezorgen.

Niemand meldt zich echter. Tot op een dag de 20-jarige Jacobje van Dokkum de burgemeester vertelt dat zij vermoedt dat een van de drie rokken op de weide ligt te bleken. De burgemeester spoedt zich erheen en ziet de rok tussen andere kleren liggen. Hij vraagt van wie de kleren zijn, waarop Marretje de Boer, 59 jaar en huisvrouw van Rijer Bakker, antwoordt dat het haar kleren zijn en dat zij de rok heeft gekregen van haar zuster uit Hoorn. De burgemeester neemt de rok mee om die aan zijn huisgenoten te laten zien en die zijn ervan overtuigd dat het een van de ontvreemde rokken betreft.

Hierop gaat de burgemeester met veldwachter Smit naar het huis van Marretje de Boer, omdat daar ook vermoedelijk de twee andere rokken liggen. Marretje heeft geen bezwaar tegen een huiszoeking, en nadat eerst een kastje en een ladetafel zijn doorzocht vraagt de burgemeester haar maar gewoon te vertellen waar de rokken liggen en geen tijd meer te verspillen. Waarop Marretje zegt dat ze die rokken inderdaad ‘s avonds heeft meegenomen, en dat de beide andere rokken onder het bed liggen. De burgemeester neemt de rokken mee en maakt zelf een proces-verbaal op en stuurt dit naar de officier van justitie in Hoorn.

Marretje moet voorkomen bij de rechter in Hoorn, maar laat de burgemeester weten dat zij niet kan komen omdat zij koorts heeft. De officier in Hoorn vertrouwt dit niet en stuurt een aanmaning waarin hij de arrestatie van Marretje door de veldwachter gelast als zij niet komt opdagen. Ook dat dreigement heeft weinig effect. Marretje gaat niet naar Hoorn en wordt in juli bij verstek veroordeeld. Ze waren niet kinderachtig met straffen in die dagen en ze krijgt maar liefst drie maanden gevangenisstraf opgelegd.

Dan krijgt de zaak een onverwachte wending. De man van Marretje komt de burgemeester namelijk vertellen dat niet zijn vrouw, maar hun zoon Meindert de diefstal heeft gepleegd. Moeder heeft de schuld op zich genomen omdat haar zoon Meindert al twee keer eerder in de gevangenis heeft gezeten, een half jaar in 1853 en in 1857 een jaar cel wegens diefstal van geld. En hij is nu door de rijksveldwacht in Nieuwediep aangehouden voor diefstal van een horloge van Petra Nentjes, en van broeksknopen en zilveren schoengespen. Het horloge zou Meindert in Monnikendam hebben verkocht en de zilveren stukken bij de goudsmid Brouwer in Kampen.

Het is onduidelijk hoe dit precies is afgelopen, maar we weten wel dat Marretje uiteindelijk in oktober 1860 naar Hoorn is gebracht om een straf van drie maanden uit te zitten. Omdat er nog geen geregelde bootdienst is, wordt het vervoer gedaan door visserman Lubbertje Kramer, die vijf gulden declareert voor het overbrengen van Marretje, met de veldwachter als geleide, en omdat die laatste ook weer mee terug gaat levert dat Lubbertje nog twee gulden extra op.
In de archieven zitten ook een drietal brieven waarin de burgemeester aan de officier clementie vraagt voor veroordeelde Urkers. Zo was hij dus weer wel.

Smeerlap en landopvreter
Op 21 november 1857 rapporteert de veldwachter bij de burgemeester dat Albert en Klaas Hakvoort, 17 en 15 jaar oud, met een kruiwagen vuilnis geworpen hebben op de gemeenteweide en zich alzo schuldig hebben gemaakt aan een overtreding. Smit gelast de jongens het vuilnis op te ruimen en naar de aangewezen plaats te brengen, maar dat weigeren ze en ze schelden de veldwachter uit voor smeerlap en landopvreter. Ook de 32-jarige Tiemen Hakvoort komt zich er mee bemoeien en scheldt de veldwachter uit voor smeerlap, gauwdief en landopvreter. Bovendien pakt hij een steen op en dreigt daarmee te slaan terwijl hij zegt: “Ik zal jou daarmede de kop ingooien”.

Geschiktheid als veldwachter
In 1860 bericht de burgemeester aan de officier van justitie dat Hendrik Smit van zeer goed gedrag is en alle ijver en geschiktheid als veldwachter in deze gemeente betoont. De burgemeester benoemt zijn gezin met vrouw en twee kinderen, het karige traktement van 250 gulden en het ontbreken van een toelage van de gemeente. Dit schrijven levert Smit echter niets extra’s op.

Advertentie uit het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad van 4-6-1860, waaruit het goede gedrag van Hendrik Smit blijkt.

Verschrikkelijk aangevallen
Op 11 november 1860 in de avond is Harmpje Kramer, de 16-jarige dochter van de burgemeester, op weg naar haar ouderlijk huis. Zij wordt vergezeld door de 15-jarige Hendrikje Roos, dochter van Jelle Roos. Op straat worden de meiden dan ‘verschrikkelijk aangevallen’ door twee jongens, Gerrit de Boer, bijna 21 jaar en Luut Kamper, 15 jaar. Harmpje wordt door de ene jongen vastgehouden en de andere werpt haar rokken over haar hoofd en mishandelt haar op verregaande schandelijk wijze. Ze is zo ontsteld van deze aantasting van haar eerbaarheid dat zij onmiddellijk naar bed moet en vader dadelijk geneeskundige hulp moet inroepen. Veldwachter Smit, die in de nabijheid is, komt op het hulpgeschrei af en pakt de beide knapen in de kraag en brengt ze voor de burgemeester.

De officier vraagt om nadere informatie en krijgt een proces-verbaal waarin omschreven wordt waaruit de oneerbare benadering van haar blote schaamdelen had bestaan. Ook staat daarin dat Gerrit de Boer meest alle dagen in de gemeente aanwezig is, doch dat Luut Kamper dagelijks in het Nieuwendiep is om te vissen en denkelijk over acht of veertien dagen wel in de gemeente aanwezig zal zijn.

Zicht op Urk, 1903

De gestolen witte slaapmuts
Op donderdag 7 maart 1861 komt Klaas Kaptein te overlijden in de woning van zijn 43-jarige schoonzoon, de visserman Lubbert Kamper. De dode wordt een doodskleed aangetrokken door Lubbert de Boer en (dat is opmerkelijk) door veldwachter Hendrik Smit.
In het bijzijn van Aaltje de Vries, 56 jaar en echtgenote van Gerrit Pasterkamp, wordt de dode een witte slaapmuts op het hoofd gezet. Op zaterdagmiddag wordt de overledene door Smit en De Boer van de bedstee in de doodskist gelegd, en dan blijkt de witte slaapmuts van het hoofd van de dode te missen. Marretje Kaptein en haar man Lubbert Kamper zoeken alles af, maar de slaapmuts is spoorloos. Zij vermoeden dat de slaapmuts van het hoofd van hun dode vader en schoonvader moet zijn gestolen.
Voor de begrafenis op maandag wordt nogmaals in het vertrekje waar de dode lag gezocht door Lubbert Kamper en Hendrik Smit, en ook de doodskist wordt doorzocht, zonder resultaat.
De eerdergenoemde Aaltje de Vries is hier ook bij aanwezig, en terwijl Hendrik Smit zich even omdraait ziet Lubbert Kamper dat Aaltje de slaapmuts onder haar rokken vandaan laat vallen. Zij raapt hem op en zegt quasi verrast: ‘Hier heb ik wat, is dit de slaapmuts?’
Aaltje de Vries wordt dus verdacht van de diefstal van de slaapmuts en hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt. Getuige Lubbert Kamper kan het proces-verbaal niet ondertekenen omdat hij nooit heeft leren schrijven.
Klaas Kaptein gaat kennelijk toch blootshoofds het graf in, want in het proces-verbaal is verder te lezen dat de witte slaapmuts in bewaring is gesteld van de veldwachter H. Smit.

Gruwelijke woorden
Op 24 december 1861 wordt bij de burgemeester aangifte gedaan door Naatje Korf, 40 jaar oud en huisvrouw van Albert Ras. Zij verklaart dat toen zij op 14 september des nachts om 12 ure op haar bed lag er vijf jongens tot haar woning zijn gekomen die met geweld haar venster en deur trachtten open te breken. Er werden haar allerlei gruwelijke woorden toegeroepen die de kuisheid verbiedt te noemen. Terwijl die jongens zich op de allergruwelijkste wijze tegen Naatje hebben uitgelaten, hebben zij een stuk goot gepakt en stukgeslagen op de gevel. Een van de nader te noemen jongens heeft toen zijn mannelijkheid uit de broek gehaald en heeft in het raam gewaterd. Naatje was zeer bevreesd dat zij in het huis zouden dringen, omdat zij zwanger was en over drie weken moest bevallen.
De namen der personen die dit feit hebben gepleegd zijn Theunis Pasterkamp, Willem Ras, Riekelt Kroon, Maarten de Boer en Hendrik Ras, allen van 19 tot 23 jaren oud, wonende te Urk en van beroep visser.
De burgemeester schrijft verder dat genoemde personen diezelfde nacht bij Jacobje Snoek, huisvrouw van Pieter Kramer, op dezelfde wijze hebben gehandeld door een stuk plank te nemen en daarmede raamruiten te hebben uitgestoten.

Plichtsverzuim van de veldwachter?
De burgemeester verwijt veldwachter Smit vervolgens dat deze met de jongens zou hebben afgesproken dat hij ze niet zou vervolgen als ze Jacobje Snoek schadeloos zouden stellen door 50 cent te betalen.
Naatje Korf was ook door de veldwachter benaderd, en haar zou zijn gevraagd of ze akkoord ging met negen gulden schadevergoeding, maar Naatje had gezegd: “Nee Smit, ik wil geen geld hebben, ik wil deze zaak vervolgd hebben”. Veldwachter Smit wordt dus verweten deze zaak onder zich te hebben gehouden en daarom wordt maanden later alsnog aangifte gedaan.
De officier van Justitie heeft zijn bedenkingen. Hij vertrouwt het verhaal van de burgemeester niet en vraagt om getuigen, maar die trekken zich tot verdriet van de burgemeester terug.
De burgemeester probeert er desondanks nog iets van te maken en schrijft de officier dat hij Jacobje Snoek tweemaal heeft ontboden, maar dat die niet wilde komen omdat ze reeds 42 centen had ontvangen voor de ingeslagen ruit. Ook zou zij bevreesd zijn dat de veldwachter, die bij haar in de familie zat, hierdoor in ongelegenheden zou komen. Dan was er een getuige P.J. Nentjes, die niet wilde verschijnen aangezien zijn vader hem dat verboden had. Volgens de burgemeester waren alle verdachten visser van beroep en thans niet in de gemeente aanwezig.
 
In de volgende editie meer over veldwachter Smit en zijn relatie met burgemeester Kramer, wat uiteindelijk tot het ontslag van de burgemeester leidt en het vertrek van de veldwachter naar Schokland.
 
Lub van den Berg, Urk

Hendrik Smit veldwachter op Urk
(vervolg)

De haven en visopslag van Schokland

We vervolgen de belevenissen van Hendrik Smit, die in 1855 benoemd werd tot veldwachter op Urk 

De veldwachter komt in opstand
Smit gehoorzaamde de burgemeester in het begin als een goed soldaat, maar wanneer zijn notities vaak niet verder komen dan de prullenbak van de burgemeester, wordt hij opstandig en stuurt hij zijn processen-verbaal rechtstreeks naar de officier van justitie in Hoorn. Dat valt niet in goede aarde bij burgemeester Kramer, en Smit wordt geschorst. Dat nieuws is natuurlijk gauw over Urk verspreid. De jeugd heeft vrij spel en Smit wordt het mikpunt van allerlei plagerijen. Op een avond wordt hem dit te machtig en stormt hij naar buiten om de jongens een hardhandige les te geven, maar ze hebben een net voor zijn deur gespannen waar hij zich in vast loopt en zo een speelbal voor de ergste belhamels wordt. Kort daarna wordt hij weer in dienst gesteld door de officier van justitie, maar vanaf toen is zijn dagelijkse bestaan allesbehalve prettig geworden. Ook de kerk maakt zijn taak niet lichter. Als hij belijdenis wil doen, vindt de Christelijk Gereformeerde Kerk ‘redenen in zijn ambt’ om hem dit te weigeren.
Bij de burgemeester kan hij geen goed meer doen, en die doet er van alles aan om de veldwachter in een kwaad daglicht te stellen. Hij rust niet voor hij nieuwe redenen tot schorsing heeft gevonden. Hij vindt ze in de volgende geschiedenis.

De zeiltjes van de al genoemde watermolen moeten door nieuwe vervangen worden en de zorg hiervoor is aan Smit opgedragen. Een van de wethouders, tevens zeilmaker, is Smit hierbij behulpzaam en vindt het maar het beste dat Smit de oude lappen mee naar huis neemt. Dan kunnen ze nog wel eens gebruikt worden over het kippenhok van Smit. Deze heeft die raad zonder verder nadenken opgevolgd, maar ze hebben buiten de waard, in dit geval de burgemeester, gerekend. Deze vat het meenemen van de oude zeilen op als diefstal. Gevolg: een proces-verbaal en weer een schorsing. Ook deze schorsing wordt opgeheven door hogerhand, maar het conflict tussen chef en ondergeschikte is daarmee niet ten einde.

Rogge en planken
De burgemeester denkt weer iets te hebben gevonden en schrijft aan de officier van justitie in Hoorn dat Lubbert de Boer en Hendrik Post verklaarden dat zij in 1856 met een partij rogge in de haven van Urk zijn gekomen, afkomstig van een bij Terschelling gestrand schip. Toen zij de genoemde rogge de wal op zouden dragen, waren zij betrapt door veldwachter Smit. Die zou in ruil voor één of twee zakken rogge een oogje dicht knijpen en zogenaamd niets gezien hebben.
Verder verdenkt de burgemeester de veldwachter van het wegnemen van een aantal gemeenteplanken, en hij denkt dat dit voldoende is om de officier te vragen een onderzoek naar Smit in te stellen. De gebeurtenissen lopen echter anders.

Zr. Ms. radarstoomschip 2e klasse Cycloop (1843-1873)

Bedrog komt uit
In 1856 had Jacob Asma, timmerman en aannemer, voor het Rijk de herstelwerkzaamheden op Schokland aangenomen voor 15.625 gulden, wat in twee termijnen voldaan zou worden. Het bedrijfskapitaal had Asma gedeeltelijk geleend van burgemeester Kramer.
Nu kwam Asma echter te overlijden voordat de eerste termijn van de aannemingssom ontvangen was. De erfgenamen waren K.J. Post en zijn vrouw Jannetje Asma, de dochter van de overledene. Vanuit Haarlem werd een mandaat naar de burgemeester gezonden met het verzoek om dit aan de erfgenamen ter hand te stellen. Als het door Post en zijn vrouw ondertekend was, kon het bedrag van 7.862,50 gulden bij de betaalmeester in Hoorn in ontvangst worden genomen.
Burgemeester Kramer, die zichzelf ook als belanghebbende zag, dacht: “Als ik maar de handtekeningen van het echtpaar Post heb, kan ik het geld gaan innen. Als Post het geld zelf int, moet ik misschien lang op terugbetaling wachten”.
En toen begon de fraude. De burgemeester nam zijn schoonzuster Jannetje Hakvoort, de latere vroedvrouw, in vertrouwen en wist haar te bewegen de handtekening van Jannetje Asma te plaatsen, terwijl hij zelf die van Post namaakte. Op 22 oktober 1856 werd hem door de betaalmeester het geld betaald en had hij in ieder geval zijn investering terug.
Dat hij twee maanden later, bij zijn herbenoeming tot burgemeester, een vrome toespraak hield, is ons reeds bekend. Nu weten we waarschijnlijk waarom.
Ruim vijf jaar blijft het bedrog verborgen, maar in het voorjaar van 1862 komt de zaak aan het licht. Hoe, dat weten we niet, maar wel schijnt veldwachter Hendrik Smit hier een fors aandeel in te hebben gehad.
Op 8 maart 1862 verschijnen op Urk drie gerechtsdienaren, gestuurd door de rechtbank in Hoorn, om Kramer en zijn schoonzuster met behulp van veldwachter Smit te arresteren. Die verzetten zich echter en krijgen de bevolking achter zich, die natuurlijk niet van de zaak op de hoogte is. Er wordt zo’n dreigende houding aangenomen, dat de gerechtsdienaren het eiland zonder arrestanten verlaten.
Twee dagen later komen ze terug met een politiemacht op het marine stoomschip Zijner Majesteits Cycloop en de beide verdachten worden weggevoerd.

Spotprent over het inzetten van de Cycloop. (collectie Rijksmuseum)

Nieuwe burgemeester
Urk krijgt een nieuwe burgervader, en dat wordt de eerste ‘vreemde’ burgemeester Bastiaan van Putten.
Hendrik Smit heeft het eigenlijk wel gezien op Urk en wil ook wel eens wat meer verdienen. Hij solliciteert naar de functie van rijksveldwachter op Vlieland of elders, maar dit wordt door de minister van Justitie afgewezen. De veldwachter denkt er daarna over om ontslag te nemen, maar de nieuwe burgemeester is bijzonder lovend over veldwachter Smit en probeert een gratificatie voor hem te krijgen bij de minister. De burgemeester wijst in zijn voordracht op de geringe bezoldiging, het onbesproken gedrag, goede geaardheid en dienstijver van Smit, maar schrijft ook dat er op het eiland behoefte is aan zo’n beambte omdat er een ‘slechte praktijk heerst’. Door de handhaving van Smit heeft het eiland een beter aanzien gekregen, aangezien de vroegere onreinheid tot in het ongelofelijke heerste. De burgemeester denkt door Smit een behoorlijke bezoldiging te geven hem te kunnen overreden om op Urk te blijven.
Burgemeester Van Putten komt er in 1864 achter dat de veldwachter ook als handlanger fungeert van deurwaarder Kriebel uit Hoorn, die handig gebruik maakt van de veldwachter als getuige en als bescherming bij inbeslagnames. Ook kiest de deurwaarder domicilie in de woning van de veldwachter voor het afhandelen van zaken. Smit neemt bijvoorbeeld 200 gulden in ontvangst, zijnde de opbrengst van de verkoop van een in beslag genomen botter. De burgemeester maakt daar een einde aan omdat de openbare rust daardoor in gevaar kan worden gebracht.

Is er echt een einde gekomen aan de hand- en spandiensten die veldwachter Smit verleent aan de deurwaarder? Daar lijkt het niet op maar dat komt later aan de orde.

Het zwarte wijf
Veldwachter Smit blijft bemoeienis houden met Jannetje Hakvoort, de vroedvrouw en schoonzuster van Kramer die in de gevangenis heeft gezeten. Zij wordt door Urkers ‘het zwarte wijf’ genoemd en Smit zou daar nog iets zeer smadelijks aan toegevoegd hebben. Hij wordt daarvoor aangeklaagd, maar burgemeester Van Putten komt voor hem op. Die schrijft in juni 1863 aan de officier van justitie:

 
Door vele bemoeienissen van verschillende aard leer ik steeds meer de Urker geaardheid kennen. De klager, Hendrik Snijder, is zeilmaker en tot mijn leedwezen lid van de gemeenteraad alhier. Hij zal weldra huwen met de bekende Jannetje Hakvoort, schoonzuster van de gedetineerde en ontslagen burgemeester Kramer, in welke zaak Smit een hoofdrol gespeeld heeft om klaarheid te brengen in de aan Kramer ten laste gelegde feiten.
 
De aanstaande huisvrouw van Hendrik Snijder is steeds in het zwart gekleed en wordt daarom in de regel ‘het zwarte wijf’ genoemd. Smit heeft daar toen bijgevoegd het woord ‘raaf´.
Burgemeester Van Putten schrijft verder dat het horen van getuigen een moeilijke zaak is, aangezien zij de waarheid verdraaien en allen tot de aanhang en familie behoren. Ook zijn de meesten afgescheiden, welke (volgens hem) de grondslag hebben: ‘een leugen om bestwil is geen zonde’.

De ontslagen oud-burgemeester Klaas Kramer, die zijn straf heeft uitgezeten, komt ook weer in het nieuws in 1865. Hij heeft zijn beroep van bakker weer opgepakt, maar maakt ook Harpuis, een mengsel van gele hars, lijnolie en eventueel vet of zwavel ter behandeling van het hout van botters boven de waterlijn. Hem wordt verregaande onvoorzichtigheid verweten omdat er tot drie keer toe brand uitbreekt bij het koken van dit licht ontbrandbare goedje. Door tijdig ingrijpen van derden kan er steeds een uitslaande brand worden voorkomen. De burgemeester maakt de officier van justitie erop attent dat Kramer zijn gebouwen voor een aanzienlijk bedrag heeft verzekerd tegen brandschade en Kramer krijgt een schriftelijke waarschuwing ‘ter voorkoming van brand’.

Lubbertje Kramer, zoon van Riekelt Kramer en Betje Smit, dochter van de veldwachter. Hij trouwde in 1901 met Marretje Loosman (Marrie van Naat).

Kolderijen
In september 1865 maakt de veldwachter proces-verbaal op ter zake het zonder toegelaten te zijn de geneeskunst uitvoeren door Sjoerd Brouwer uit de Knipe bij Heerenveen. Deze kwakzalver bezoekt Urk en verkoopt geneeskrachtige drankjes en smeersels, maar maakt ook gebruik van duivelskunstenarijen om tover- en kolderijen uit te bannen. Hij verkoopt namelijk kruiden die de mensen tegen deze praktijken zouden kunnen beschermen. Die kruiden moeten bijvoorbeeld in een linnen zakje onder de vloer gelegd worden en houden zo de kollen buiten de deur. De potten met kruiden worden in beslag genomen nadat de Urker geneesheer Habermehl er naar gekeken heeft.
De burgemeester schrijft dat hij zich zorgen maakt, omdat blijkt dat op het eiland nog steeds het bijgeloof en ongeloof heerst tot in het ongelofelijke. Vele ingezetenen hechten geloof aan de duivelskunstenarijen van Sjoerd Brouwer, en de burgemeester verzoekt de officier de wet streng toe te passen tot zuivering van het bijgeloof op Urk.

Klacht
Oud-burgemeester Klaas Kramer is kennelijk nog steeds verbitterd en schrijft eind 1866 aan de commissaris van de Koning een brief met een aantal klachten over veldwachter Hendrik Smit. Hij maakt bekend dat de veldwachter al jarenlang brieven van de deurwaarders bezorgt in de gemeente, terwijl dat niet tot zijn taken behoort. Ook zou de veldwachter nachtverblijf bieden aan de bezoekers aan het eiland terwijl hij geen logement heeft. Tevens zou er op het schuurtje van de veldwachter een bordje hangen met de tekst “Turf te koop”, terwijl hij niet over een handelsvergunning beschikt. De commissaris van de Koning stuurt de brief door naar burgemeester Kagei en spreekt hem er streng op aan. Burgemeester Kagei, bang voor zijn eigen hachje, neemt onmiddellijk maatregelen en verbiedt de veldwachter nog langer brieven rond te brengen, logies te verschaffen en turf te verkopen. In de conceptbrief schrijft Kagei nog dat de veldwachter zich schuldig maakt aan eigendunkelijke handelingen maar streept dat vervolgens door. De veldwachter verliest door de klacht van Kramer zijn bijverdiensten en dat zal ongetwijfeld ook een rol hebben gespeeld in zijn overplaatsing naar Schokland.

Lijsebet Gerssen-Kramer is een dochter van Lubbertje Kramer en Marretje Loosman. Hier op de foto met haar vier oudste kinderen Johannes, Marretje, Trijntje en Anna

Smit verhuist naar Schokland
Of de loonsverhoging, die burgemeester Van Putten voor de veldwachter had aangevraagd, er is gekomen, weten we niet, maar die is in ieder geval niet structureel geweest.
Hendrik Smit voelde zich niet meer thuis op Urk. De bevolking bleef hem verantwoordelijk houden voor het onheil dat hun oud-burgemeester Kramer was overkomen. Het eiland Schokland was ondertussen door de oorspronkelijke bevolking verlaten en werd bewoond door drie Rijksbeambten die de functies van rijksarbeider en lichtwachter hadden en tevens belast waren met peilwaarnemingen. Door chronische ziekte van een van hen kwam er een plek vrij, en Hendrik Smit werd door de nieuwe burgemeester van Urk bij de Directie van Rijkswaterstaat aanbevolen.
En zo verhuist in oktober 1868 het gezin Smit naar Schokland. Het was voor Smit en zijn twee kinderen, Betje van 16 en Lammert van 14, het begin van een nieuw tijdperk. Men was op het eiland op zichzelf aangewezen, maar er waren dagelijks schippers op de rede, en rietsnijders en steenzetters bivakkeerden geregeld op het eiland. De zomer bracht werk genoeg, waardoor het gezin zich niet verveelde. Ook de Urker familie van Hendriks vrouw kwam regelmatig langs.
Smit moest nieuwe bekwaamheden aanleren, zoals het fungeren als schipper, omdat er wekelijks naar Kampen gezeild moest worden met de rijks-botter om proviand te halen. Hendrik behield op Schokland ook de functie van “onbezoldigd Rijksveldwachter” en schreef weleens een proces-verbaal.

Tragisch einde
Hendrik Smit is nog maar zeven jaar op het eiland als hij plotseling komt te overlijden op 24 december 1875 op de leeftijd van 53 jaar. Na van een griepje hersteld te zijn gaat hij met een opzichter de paalwerken inspecteren. Tijdens de rondgang kan hij het tempo van de opzichter niet bijhouden en raakt achterop. Wanneer de opzichter op een gegeven moment omkijkt om te zien waar hij blijft, ziet hij de hond van Smit naar het water kijken. Daarin drijft het levenloze lichaam van zijn baasje.

Na de kerstdagen wordt het stoffelijk overschot van Hendrik Smit op Urk ter aarde besteld. Wanneer na de begrafenis de wintervorst invalt is men in afwachting hoe de directie in Zwolle over het gezin Smit gaat beschikken. Wanneer echter de eerste post in de maand januari op het eiland komt, is er een dienstbrief bij, waarin staat dat de arrondissementsingenieur op advies van opzichter Kievit besloten heeft zoon Lammert Smit in zijn vaders plaats te benoemen. Dus de zorgen, wat het tijdelijke bestaan betreft, zijn weggenomen. Moeder Smit dankt God daarvoor.

De nazaten van Hendrik Smit
Dochter Betje is een jaar voor vaders dood getrouwd met Riekelt Kramer en woont op Urk. Zij krijgen drie kinderen, Lubbertje (1877), Hendrik (1879) en Cornelia (1881). Twee jaar na de geboorte van Cornelia sterft Betje in het kraambed op 31-jarige leeftijd. Haar oudste zoon Lubbertje is dan 6 jaar en zag naast het lijk van zijn moeder in de kist ook het lijkje van een pasgeboren kindje, een beeld wat hem altijd is bijgebleven. Bessien Jannetje blijft op Urk om voor de kinderen te zorgen omdat vader Riekelt weer naar zee moet. Jannetje kan echter niet zo lang blijven want zij woont tenslotte op Schokland en doet de zorg over aan Zwaantje, de zuster van Riekelt. Anderhalf jaar later hertrouwt Riekelt en krijgen de kinderen weer een nieuwe moeder.
De zoon van Hendrik Smit, Lammert, heeft ook een Urker meisje, Jantje ten Napel (geboren te Vollenhove), en ze trouwen in 1877 in Kampen. Jantje was eerder getrouwd met Arend Schraal, maar die kwam te overlijden als ze nog geen jaar getrouwd waren. Lammert en Jantje krijgen zes kinderen, waarvan er drie jong overlijden. Jantje heeft ook een winkeltje, waar schip­pers, vissers en rietsnijders hun boodschappen doen door rijst, gort, meel, olie, bonen en spek in te kopen. Lammert krijgt er nog een taak bij op Schokland. Wanneer in 1897 een telegraafkabel naar het vasteland bij Kampen wordt gelegd, wordt hij ook kantoorhouder van de PTT.
 
Twee jaar later neemt zijn 19-jarige zoon Harm dit baantje over. Harm is in 1880 op Urk geboren en heeft in de periode dat hij naar school ging bij zijn bessien op Urk gewoond. Als kind was hij uitgegleden op een ijzeren dek en had daar een mank been aan overgehouden en kon daardoor geen zwaar werk doen.
In 1908 krijgt Urk via Schokland een telefoonverbinding met Kampen en wordt een houten portaal aan de woning gebouwd met het opschrift ‘Hulp Telegraaf Kantoor’. In datzelfde jaar trouwt Harm ook met een Jantje, het Urker meisje Jantje van Veen. Harm heeft ook een postkantoor voor de vissers, en in 1915 wordt hij benoemd tot directeur en boekhouder van de visafslag die in dat jaar geopend wordt op Schokland, een filiaal van de Rijksvisafslag te IJmuiden. Er is behoefte aan een visafslag omdat die van Urk en Volendam te ver verwijderd zijn van de Overijsselse kust.

15 schapen
Het leven op Schokland was, materieel gezien, zo slecht nog niet. Ze hadden vrij wonen en mocht 15 schapen houden voor melk, vlees en wol. En met het beheren van het telefoonkantoortje werd ook aardig wat bijverdiend. Ook was er op het ondergelopen land westelijk van Emmeloord door de familie goed paling te vangen.

De visafslag wordt na de afsluiting van de Zuiderzee in 1932 opgeheven.
Vader Lammert was ondernemend en slim, en kon al op 56-jarige leeftijd met pensioen gaan. Zijn oudste zoon Hendrik viste na de lagere school eerst twee jaar bij een visserman en werd toen steenzetter. Evenals zijn vader Lammert werd hij eerst kantonnier op de Middelbuurt en later overgeplaatst naar Emmeloord. Hij wordt in 1910 de nieuwe havenmeester van Schokland.

 Hendrik en zijn broer Harm houden op zondagmorgen om beurten Bijbellezingen, en later op de dag nog een catechismuspreek, eerst in huiselijke kring en later voor de op het eiland verblijvende arbeiders en schippers die op Schokland verwaaid lagen. Die bijeenkomsten worden zowel door protestanten als katholieken bezocht.
Hendrik verlaat na 12 dienstjaren het eiland en krijgt werk in Stavoren.

Harm blijft, en hij heeft ook een varkensmesterij op Schokland. Zo lezen we dat de Urker slagers Hakvoort en Woort in 1914 twee vette varkens van Harm kopen. Met de UK 210 van schipper Gerrit Westerneng worden de knorrepotten voor een kortstondig verblijf naar Urk vervoerd.

Drie generaties Schokkers
Harm Smit werd door de vissers ‘de laatste koning van Emmeloord’ genoemd. Tijdens de drooglegging van de polder verlaat hij op 3 december 1940 het eiland om daar nooit meer terug te keren. Hij wilde zich Schokland alleen herinneren als eiland. Hij verhuist naar de IJsselkade in Kampen, maar kan maar moeilijk wennen aan ‘huizen aan twee kanten’.
Begonnen met een veldwachter op Urk heeft de naam Smit gedurende drie generaties een prominente rol gespeeld op het eiland Schokland.
 
Lub van den Berg, Urk

Met veel dank aan Jan Albert Smit en zijn website smitschokland.nl