Harm Smit 1880-1950

Harmen Smit 28-jaar oud, de foto zou gemaakt ten tijde van zijn huwelijk met Jantje van Veen.

Harm Smit is geboren op Urk en werd begraven in Kampen (graf is in 2013 geruimd, de grafsteen is te vinden op Schokland). Hij is het middelpunt van deze Smit-Schokland website. Al vroeg realiseerde hij zich het belang van de familiegeschiedenis en de verzamelde documenten en schreef een kroniek over Schokland en de betreffende familiegeschiedenis.

Kroniek gepubliceerd in Schokker Erf
Die kroniek is voor een groot deel gepubliceerd in Schokker Erf, met de volgende inleiding van samenstelster Els van der Waag-Conijn: “Harmen Smit, zoals hij ook genoemd wordt, is één van de laatste bewoners van Schokland, die daar tot 1940 een aantal openbare ambten bekleedde. Op de officiële Persoonskaart van het gezin bij de Burgerlijke Stand van Kampen, gedateerd 1 januari 1910, staat achter zijn naam in de rubriek “Ambt, Beroep of Bedrijf”, dat hij Rijkstelegraafkantoorhouder is, maar uit de rijke Schokland-literatuur weten wij, dat dit niet de enige functie was die Harm Smit bekleedde. Hij was later ook tweede havenmeester, directeur van de visafslag en postkantoorhouder. Bekender is hij echter geworden door zijn niet-officiële functies. In “Schokland, eens een eiland” beschrijft Dirk Landsman hem als een zeer geacht en bekend persoon, die over de hele Zuiderzee befaamd was door zijn zondagse bijbel-lezingen die op het Schokland zonder dominee of kerk van die laatste jaren de zondagsviering vervingen. Fred Thomas blijkt in “Wijkend Water” zozeer onder de indruk van deze “grand old man” dat hij hem bijna devoot beschrijft, als gastheer van het eiland, als een profeet, een wijsgeer. Harm Smit werd op 10 september 1880 te Urk geboren. Hij stamde uit een familie waarin de mannen al gedurende enkele generaties functies hadden bekleed op Schokland en hij woonde al vanaf zijn vroegste jeugd op dit eiland waarvoor hij dan ook een diepe liefde koesterde. Het vertrek in 1940, bij de nadering van de drooglegging, zal hem dan ook zeker zwaar zijn gevallen. In de jaren tot aan zijn dood, op 6 september 1950, schrijft hij zijn kroniek, die doortrokken is van heimwee naar zijn eiland. In die geest moet men zijn “kroniek” ook lezen, als het relaas van een man die ons in zijn liefde voor Schokland wil laten delen en ons in wil wijden in de unieke schoonheid van dat stukje land.” Uit Kroniek van Harm Smit

Springlevend portret
Uit alle geschriften kom Harm Smit naar voren als een sociaal en aimabel man met veel kennis van de Zuiderzee. Dat beeld wordt springlevend als je dit verslag van kunstschilder Jos Lussenburg’s laatste vaartocht naar Schokland leest:
‘Voor wij echter voorgoed afscheid nemen van ons eiland varen wij in ’t noorden nog eenmaal de haven van Emmeloord binnen. Deze in 1838 aangelegde haven, ligging biedend aan plm. 300 schepen, was nu leeg.
Tegen een meerpaal geleund stond hij, onze oude vriend Harmen Smit – de laatste koning van Schokland zoals de vissers hem noemden. Hij had ons natuurlijk allang zien komen, want nu was het een gebeurtenis als er nog eens een schip binnenliep.
Ik herinner me nog goed, hoe ik voor ’t eerst op een bijzondere manier kennismaakte met deze, op zijn eenzame post tot een wijs man gegroeide, typische kerel. Jaren terug voer ik met mijn botter de grote haven van Emmeloord binnen. Ook toen stond Harmen Smit op de steiger om onze kabel om de meerpaal te leggen. Blij dat hij weer eens met een paar mensen kon praten, begon hij meteen over het weer en de visserij, maar hij zag aan de geopende schilderkist en penselen wel, dat hij niet met een visser te doen had en begon meteen te informeren wie die kunstschilder was. “Ja, u komt hier nu wel met een Elburger botter, maar aan uw spraak te horen, komt u niet van de Gelderse kust.”
Ik: “Waar denkt u dan wel dat ik vandaan kom?”
Hij: “Aan je spraak te horen, zou ik zeggen, je komt uit Enkhuizen.
“Goed geraden! Ik ben een rasechte Enkhuizer.”
Hij: “Zo, zo. Kent u dan ook Jannus Kramer en z’n zoon Paulus  van de EH 69?”
Ik: “Ja, die ken ik heel goed.”
Hij: “Nou, dan ken je David Lussenburg, de scheermeester ook wel.”
Ik: “Ja, ik ken ze alle drie zeer goed. Jannus Kramer is mijn Grootvader, Paulus mijn oom en de scheermeester is mijn vader.
Dit alles verraste de oude baas zo dat hij zijn klompen uitschopte en aan boord stapte om mij hartelijk de hand te drukken en toen kwam zijn verhaal. “Ja”, zo begon hij, ik vrijde in die dagen met een Urker meisje, dat in Enkhuizen diende. Als ik zaterdags en zondags naar haar toeging, kon ik altijd bij je oom Paulus logeren. De Kramers lagen hier dikwijls in de haven en kwamen dan veel bij mij thuis. Ik kon heel goed met ze en had zodoende altijd onderdak in Enkhuizen. Zo gebeurde het in de winter, dat plotseling zeer hard begon te vriezen, dat ik niet meer naar Schokland terug kon en heb ik wel vier weken bij je oom Paulus gelogeerd. Béste mensen. Dat Urker meisje zit daar nu in mijn huis, een beste dappere vrouw voor mij hier op het stille eiland.
Tot zover mijn wonderlijke kennismaking met de laatste koning van Schokland.’ Uit  Een bezoek aan Schokland in 1940

Jos Lussenburg heeft overigens een even karakteristiek portret geschilderd van Harm Smit. Het schilderij hangt in het Zuiderzee museum.

Uit Folkloristiche Zuiderzeefilm, acte 1, inbeeldengeluid.nl

Twee fragmenten uit de kroniek van Harm Smit
– “Wat was Schokland dan in zijn zwakheid en in zijn kracht? Het was in zijn zwakheid een beeld van de macht des Scheppers, die het nietigste doet voortbestaan door de eeuwen heen.”
– “Wat een ellendig leven, daar op zo’n eiland”, hoorde ik een oud en naar ik dacht, ook wijs man zeggen. Nu jong ben ik ook al niet meer, en wijs? Maar toch zou ik met evenveel overtuiging durven zeggen: “wat een ellendig leven, daar in zo’n stad”. Want het leven op zo’n eiland en in zo’n stad is aan dezelfde hoofdzaak gebonden: de verhouding van de mensen tot God beheerst alles. Men kan in volkomen stilte, met niets om zich heen en niets boven zich als de blauwe hemel of de helder lichtende sterren, zo blijde zijn, dat het is of alles in je, om je en boven je, jubelt. En je hart spreekt Heere God, wat zijt Gij goed, barmhartig, wijs en groot en vol van genade, dat Gij U met mij inlaat en aan mij hebt gedacht. En men kan in het uitgezochtste gezelschap zijn, onder de meest uitgezochte omstandigheden en men geniet toch niet.”
Uit: De kroniek van Harm Smit

Harm Smit, onderwerp voor menig schrijver
Hieronder fragmenten uit “Zwervend langs het IJsselmeer” van Wim Kuyper.

Veel functies tegelijk
In de tijd van Harm Smit zal er geen ambtenaar geweest zijn die zoveel verschillende functies tegelijk uitoefende als hij; functies bovendien die stuk voor stuk onder een ander departement ressorteerden. Ook de bediening van de mistsirene behoorde daarbij. In 1915 werd hem het beheer van de visafslag opgedragen waar op een dag soms wel 80 last (14 ton of 17 kantjes) haring aangevoerd werd. Tot oktober ging het door met de afslag van bot en aal, daarna met spiering. Geen wonder dat Harm Smit die ook nog onbezoldigd rijksveldwachter was wel eens een paar geschoten eendjes mee naar huis bracht, het op Schokland zeer naar de zin had.


 

‘As jij’t nou ‘weest benne’
Met de zelfbewuste, soms wat vrijpostige Volendammers kon Harm Smit goed overweg. Een enkele keer ergerde hij zich aan hun onbehouwen gedrag maar bleef altijd beheerst in zijn reacties. Op een uur dat de meeste vissersschepen in zee waren, zag hij een Volendammer kwak naar de haven komen. Er moest wat bijzonders aan de hand zijn; de botterfok was gestreken en er sleepte iets achter het schip. In de haven bleek dat de schipper een in zee ronddrijvend lijk op sleeptouw had genomen en er graag zo gauw mogelijk vanaf wilde zijn. Harm Smit was verbolgen en wilde dat wel even luchten: ‘Die had je toch wel even binnen boord kunnen leggen?!’ Het antwoord van de schipper kenmerkte de verhouding van de Volendammers met Harm Smit: As jij’t nou ‘weest benne!’ (als jij nou het lijk was geweest).

Harm Smit verwelkomt minister Ruys de Beerenbrouck
Door zijn werk kende Harm Smit veel mensen en of dit nu eenvoudige lieden, hooggeplaatste ambtenaren of zelfs ministers waren, maakte voor Smit geen verschil. In 1918 werd Ruys de Beerenbrouck premier; de eerste katholieke premier. Met enkele leden van zijn kabinet bracht hij een bezoek aan Schokland. Harm Smit ontving het gezelschap in zijn huiskamer met de clivia’s voor de ramen en het uitzicht op de haven en de zee. Door zijn ontwapenende manier van doen werd het een ongedwongen bezoek en al gauw schertste de eerste minister: ‘Hier moest ik nu eens een tijd kunnen blijven om volkomen tot rust te komen en dan moest jij mijn baantje aan de wal maar overnemen en ik het jouwe.’ Daar had Smit direct een antwoord op: `Wel, ze hebben me al eens gezegd dat ik precies zo’n kop heb als Colijn en kijk, nou biedt de premier me zowaar een ministersplaats aan.’

Harm Smit, ambassadeur van Schokland
Op 3 december 1940 heeft Harm Smit Schokland voorgoed verlaten; met een onderbreking van zijn schooltijd op Urk heeft hij onafgebroken op het eiland gewoond. Het leven op de vaste wal trok hem niet: ‘Als ik daar twee dagen ben, verveel ik me er een van.’ Toch is het hem op Schokland niet altijd voor de wind gegaan. Het begon al in zijn jeugd toen hij op een ijzeren scheepsdek uitgleed en daarna lange tijd met zijn been sukkelde; tenslotte liep hij mank. Na zijn schooltijd hielp hij zijn moeder die achter het huis een winkeltje dreef; daar leerde hij de schippers en de visserlui goed kennen die met stormweer naar Schokland gevlucht waren en er hun inkopen deden. Met hun karbiezen gemaakt van fluweel of van een afgedankt tafel- of vloerkleedje kwamen zij naar het winkeltje dat geen etalage had. Het was klein en toch was er van alles te koop: rijst, gort, meel, olie, bonen, spek, koffie en thee. suiker, brood, roggebrood, schapenmelk, petroleum en bier. Als het eraf kon, kochten de schippers er ook de Schokker moppen, stevige koekjes die in Kampen gebakken werden. Harm Smit verzorgde ook de vijftien schapen; wanneer de sneeuw verdwenen was, gingen zij het weiland weer in, een ruig gebied vol met kuilen, enkele greppels en moerasjes. Een enkele keer verongelukte een schaap; het werd meestal in een greppel gevonden, op zijn rug met de poten omhoog. Soms ook wel in het vlakkere land wanneer het beest in een kuiltje struikelde en op z’n rug terecht gekomen was: ‘Dan komt ie niet meer op de poten’, vertelt een visserman die door de havenmeester gepolst was ‘of hij ook een schaap kon villen’.   Uit: Zwerven langs het IJsselmeer – Wim Kuyper

Zie ook Aanvullende documenten met teksten van Fred Thomas en Gerhard Werkman over Harm Smit.

De statenbijbel en hoe die in het bezit kwam van de familie Smit
Toen in een strenge winter rond 1930 de vorst heel snel inviel waren heel wat schepen gedwongen door de snelle aangroei van het ijs beschutting te zoeken in de haven van Emmeloord. Wekelijks organiseerden de 3 families die op Schokland woonden een tocht met de ijsvlet naar Kampen om o.a. diverse levensmiddelen in te kopen. Ook de schippers die in de haven lagen konden doorgeven wat voor boodschappen zij wilden hebben. Zoals toen gebruikelijk was werd er niet wekelijks afgerekend. Onze opa hield bij wie wat had gekocht.
Een paar maanden later viel de dooi in en toen het ijs grotendeels weg was konden de schepen weer uitvaren. Maar niet voordat ze hun boodschappen hadden betaald.
Tijd dus voor onze opa om de rekening voor iedereen op te maken.
Alle schippers op één na voldeden keurig aan hun verplichting. Deze ene schipper bleek geen geld te hebben. Hij kwam bij opa en oma binnen met een statenbijbel en vroeg of hij deze als onderpand kon achterlaten. Zodra hij voldoende had verdient zou hij zo gauw mogelijk langskomen om zijn schuld te voldoen en de statenbijbel weer ophalen.
De schipper is nooit meer de haven van Emmeloord binnengevaren. Voor onze opa misschien niet zo leuk maar voor ons als nazaten in ieder geval wel. Wij hebben nu een statenbijbel met een bijzonder verhaal.
Bron: Harry Smit, kleinzoon

Harm Smit, een bevlogen mens
Uit de verschillende beschrijvingen zou je kunnen denken dat Harm Smit de bedaardheid en kalmte zelve was. Dat zou een vergissing zijn want Harm was een gepassioneerd mens. Als we “De bruid van Schokland” mogen geloven (en waarom niet)  dan was hij zelfs onstuimig:  “loopt vlug warm voor iets, heeft gauw de bokkenpruik op, maar is ook zo weer goed”. Zie De bruid van Schokland

Harm Smit stond voor zijn principes, dat blijkt ook uit het feit dat bij de familie Smit in de oorlog drie jaar lang tot aan de bevrijding een joods echtpaar is ondergedoken geweest. Harm Smit wist wat de Duitsers met de joden van plan waren. Al vóór de oorlog sprak hij daarover. (Bron: Lammert Smit, zijn zoon).

Dat Harm Smit niet over zich liet lopen blijkt ook uit het zogenaamde “Sodemieter proces“: De beklaagde beweerde, dat Smit aanleiding had gegeven. Hij kwam bij ons schip en zei „dat zijn die konings van Schokland, maar ik zal laten zien, wie de koning van Schokland is.”

In het tasje van Jantje van Veen bevindt zich nog een brief van Harm Smit aan dominee Bos. Ook uit die brief spreekt zijn gedrevenheid. Om de achtergrond van de briefwisseling te begrijpen is het van belang te weten dat de (toen nog) vrijgemaakte predikant B.A. Bos oktober 1948 een conferentie organiseerde met vrijgemaakte- en niet-vrijgemaakte predikanten ter bespreking van de mogelijkheid om de gerezen geschillen bij te leggen. De Vrijmaking is de naam van een kerkscheuring die in 1944 plaatsvond in de Gereformeerde Kerk van Nederland onder leiding van professor Klaas Schilder. Harm Smit was absoluut tégen het bijleggen van de gerezen geschillen:

Kampen 23 sept. 1949

WelEerw. Heer Ds Bos

Ds. Weet u wel wat u doet door gemeenschap bezoeken met degenen die ons uitstieten, weet u hun bedoelingen wel?
Weet u niet wie en wat Dr. H. H. Kuyper was?
Weet u niet waarvoor ons Dr. Schilder waarschuwde en om welke redenen hij tot iedere prijs moest verdwijnen?
Weet u niet dat vanaf 1892 af de plannen uitgebroed zijn om de van hun gewraakten verbonds-beschouwing weg te werken.
Weet u wel wat smart u aandoet degenen die de Heeren danken dat ze de strik zijn ontkomen?
Is het u vergeten in wat duistere tijd deze werken der duisternis volbracht zijn? Weet… (de brief gaat aan de achterzijde verder maar daar is geen digitale kopie van beschikbaar)

Hier nog het antwoord van Ds. Bos:

Oma en opa Smit. Samen met waarschijnlijk tante Lena, een zus van oma. Tante Lena was getrouwd met ome Dok uit Zaandam. De oom die een prachtige hoed kocht voor Trientje. Trientje gaf de hoed aan haar zus Jantje toen die trouwde en naar Urk verhuisde. Op Schokland droeg Trientje de hoed toch niet.