Menschen voor wie men een voorkeur heeft, waartoe men zich getrokken voelt………
Menschen voor wie men een voorkeur heeft, waartoe men zich getrokken voelt………

Harm Smit 1880-1950
“Grand old man”
van de Zuiderzee

Harm Smit speelde in de laatste jaren van Schokland als bewoond eiland een opvallende rol. Hij was havenmeester, PTT-kantoorhouder en directeur van de visafslag, maar ook een eigenzinnige en soms onstuimige man, die wist dat de wereld waarin hij was opgegroeid voorgoed zou veranderen.

Twee jaar voor de drooglegging van de Noordoostpolder vertelde Harm Smit een verslaggever van het Algemeen Dagblad:

“Ik ben nu bezig de geschiedenis van de Smitten na te gaan, wij hebben hier steeds gewoond van vader op zoon en wij hebben steeds ambtelijke en semi-ambtelijke functies verricht. Van mijn vader en grootvader heb ik nog stukken in mijn bezit. En de overlevering doet nog mededeelingen over mijn overgrootvader.”

Het is een opmerkelijke uitspraak. Harm wilde de geschiedenis vastleggen zolang documenten, herinneringen en overleveringen nog beschikbaar waren. Daarmee probeerde hij iets te bewaren van de wereld waarin hij was opgegroeid.

Lees verder…

Als havenmeester kende hij de Zuiderzee, de vissers en de schippers als geen ander. Zijn levendige en spraakzame karakter maakte hem populair. De vissers noemden hem ‘de laatste koning van Schokland’; Jos Lussenburg sprak over de ‘grand old man van de Zuiderzee’ en de AVRO maakte er in 1938, niet zonder ironie, ‘Keizer van Schokland’ van.

Toch was Harm meer dan de gemoedelijke en beheerste man uit de herinneringen van tijdgenoten. Hij kon ook hartstochtelijk en eigenzinnig zijn. In De bruid van Schokland wordt hij beschreven als iemand die ‘vlug warm loopt voor iets, gauw de bokkenpruik op heeft, maar ook zo weer goed is’. Dat karakter blijkt uit de conflicten waarin hij terechtkwam, zijn botsingen met autoriteiten en zijn vasthoudendheid wanneer hij ergens voor stond. Ook het feit dat in het huis van de familie Smit tijdens de oorlog drie jaar lang een Joods echtpaar ondergedoken zat, werpt een ander licht op het beeld van de familie Smit.

Op 3 december 1940 verliet Harm Schokland voorgoed. Het eiland liet hem echter niet los. Na zijn vertrek schreef hij zijn kroniek over Schokland, zijn bewoners en de geschiedenis van de Smitten. Daarmee zette hij het werk voort waarmee hij al vóór de drooglegging was begonnen: vastleggen wat anders verloren zou gaan.

Achter de bijnaam ‘de laatste koning’ en het beeld van de vriendelijke havenmeester stond een man met overtuigingen, temperament en een sterke eigen wil. Juist die combinatie maakt Harm Smit tot een bijzondere getuige van het laatste hoofdstuk van Schokland als bewoond eiland.

🔊 Luister naar het lied ‘Harm Smit, Koning van Schokland’

Harmen Smit 28-jaar oud. De foto is gemaakt ter gelegenheid van zijn huwelijk met Jantje van Veen.

Uit alle geschriften komt Harm Smit naar voren als een sociaal en aimabel man met veel kennis van de Zuiderzee.

De kroniek van Harm Smit

Of opstel zoals hij het zelf noemde 
Voor het grootste deel is de kroniek gepubliceerd in Schokker Erf, met de volgende inleiding van samenstelster Els van der Waag-Conijn:

“Harmen Smit, zoals hij ook genoemd wordt, is één van de laatste bewoners van Schokland, die daar tot 1940 een aantal openbare ambten bekleedde. Op de officiële Persoonskaart van het gezin bij de Burgerlijke Stand van Kampen, gedateerd 1 januari 1910, staat achter zijn naam in de rubriek “Ambt, Beroep of Bedrijf”, dat hij Rijkstelegraafkantoorhouder is, maar uit de rijke Schokland-literatuur weten wij, dat dit niet de enige functie was die Harm Smit bekleedde. Hij was later ook tweede havenmeester, directeur van de visafslag en postkantoorhouder.

Lees verder…

Bekender is hij echter geworden door zijn niet-officiële functies. In “Schokland, eens een eiland” beschrijft Dirk Landsman hem als een zeer geacht en bekend persoon, die over de hele Zuiderzee befaamd was door zijn zondagse bijbel-lezingen die op het Schokland zonder dominee of kerk van die laatste jaren de zondagsviering vervingen. Fred Thomas blijkt in “Wijkend Water” zozeer onder de indruk van deze “grand old man” dat hij hem bijna devoot beschrijft, als gastheer van het eiland, als een profeet, een wijsgeer. Harm Smit werd op 10 september 1880 te Urk geboren. Hij stamde uit een familie waarin de mannen al gedurende enkele generaties functies hadden bekleed op Schokland en hij woonde al vanaf zijn vroegste jeugd op dit eiland waarvoor hij dan ook een diepe liefde koesterde. Het vertrek in 1940, bij de nadering van de drooglegging, zal hem dan ook zeker zwaar zijn gevallen. In de jaren tot aan zijn dood, op 6 september 1950, schrijft hij zijn kroniek, die doortrokken is van heimwee naar zijn eiland. In die geest moet men zijn “kroniek” ook lezen, als het relaas van een man die ons in zijn liefde voor Schokland wil laten delen en ons in wil wijden in de unieke schoonheid van dat stukje land.” Uit Kroniek van Harm Smit

Uit de kroniek:

Alles in je, om je en boven je, jubelt…

“Wat een ellendig leven, daar op zo’n eiland”, hoorde ik een oud en naar ik dacht, ook wijs man zeggen. Nu jong ben ik ook al niet meer, en wijs? Maar toch zou ik met evenveel overtuiging durven zeggen: “wat een ellendig leven, daar in zo’n stad”.

Want het leven op zo’n eiland en in zo’n stad is aan dezelfde hoofdzaak gebonden: de verhouding van de mensen tot God beheerst alles. Men kan in volkomen stilte, met niets om zich heen en niets boven zich als de blauwe hemel of de helder lichtende sterren, zo blijde zijn, dat het is of alles in je, om je en boven je, jubelt.

En je hart spreekt Heere God, wat zijt Gij goed, barmhartig, wijs en groot en vol van genade, dat Gij U met mij inlaat en aan mij hebt gedacht. En men kan in het uitgezochtste gezelschap zijn, onder de meest uitgezochte omstandigheden en men geniet toch niet.

Harm Smit – De kroniek van Harm Smit

Harm Smit, ambassadeur van Schokland

Op 3 december 1940 heeft Harm Smit Schokland voorgoed verlaten; met een onderbreking van zijn schooltijd op Urk heeft hij onafgebroken op het eiland gewoond. Het leven op de vaste wal trok hem niet: ‘Als ik daar twee dagen ben, verveel ik me er een van.’

Toch is het hem op Schokland niet altijd voor de wind gegaan. Het begon al in zijn jeugd toen hij op een ijzeren scheepsdek uitgleed en daarna lange tijd met zijn been sukkelde; tenslotte liep hij mank.

Na zijn schooltijd hielp hij zijn moeder die achter het huis een winkeltje dreef; daar leerde hij de schippers en de visserlui goed kennen die met stormweer naar Schokland gevlucht waren en er hun inkopen deden.

Met hun karbiezen gemaakt van fluweel of van een afgedankt tafel- of vloerkleedje kwamen zij naar het winkeltje dat geen etalage had. Het was klein en toch was er van alles te koop: rijst, gort, meel, olie, bonen, spek, koffie en thee, suiker, brood, roggebrood, schapenmelk, petroleum en bier. Als het eraf kon, kochten de schippers er ook de Schokker moppen, stevige koekjes die in Kampen gebakken werden.

Harm Smit verzorgde ook de vijftien schapen; wanneer de sneeuw verdwenen was, gingen zij het weiland weer in, een ruig gebied vol met kuilen, enkele greppels en moerasjes. Een enkele keer verongelukte een schaap; het werd meestal in een greppel gevonden, op zijn rug met de poten omhoog. Soms ook wel in het vlakkere land wanneer het beest in een kuiltje struikelde en op z’n rug terecht gekomen was: ‘Dan komt ie niet meer op de poten’, vertelt een visserman die door de havenmeester gepolst was ‘of hij ook een schaap kon villen’.

Uit: Zwerven langs het IJsselmeer – Wim Kuyper

1926 – Bewegende beelden van  Harm Smit uit 1ste akte van een 7-delige film over de folklore in de plaatsen rond de Zuiderzee. In die akte wordt onder meer een kort bezoek aan Schokland gebracht waarin ook Jantje van Veen, de vrouw van Harm te zien is. De levenslust en vriendelijkheid straalt van beider gezicht. 

Harm Smit verwelkomt minister Ruys de Beerenbrouck
Door zijn werk kende Harm Smit veel mensen en of dit nu eenvoudige lieden, hooggeplaatste ambtenaren of zelfs ministers waren, maakte voor Smit geen verschil. In 1918 werd Ruys de Beerenbrouck premier; de eerste katholieke premier. Met enkele leden van zijn kabinet bracht hij een bezoek aan Schokland. Harm Smit ontving het gezelschap in zijn huiskamer met de clivia’s voor de ramen en het uitzicht op de haven en de zee. Door zijn ontwapenende manier van doen werd het een ongedwongen bezoek en al gauw schertste de eerste minister: ‘Hier moest ik nu eens een tijd kunnen blijven om volkomen tot rust te komen en dan moest jij mijn baantje aan de wal maar overnemen en ik het jouwe.’ Daar had Smit direct een antwoord op: `Wel, ze hebben me al eens gezegd dat ik precies zo’n kop heb als Colijn en kijk, nou biedt de premier me zowaar een ministersplaats aan.’

Minister Colijn
Wel, ze hebben me al eens gezegd dat ik precies zo’n kop heb als Colijn en kijk, nou biedt de premier me zowaar een ministersplaats aan.

Een man met vele functies

Rijkstelegraafkantoorhouder Harm Smit

Veel functies tegelijk
In de tijd van Harm Smit zal er geen ambtenaar geweest zijn die zoveel verschillende functies tegelijk uitoefende als hij; functies bovendien die stuk voor stuk onder een ander departement ressorteerden. Zelfs het bedienen van de mistsirene hoorde erbij, én hij was onbezoldigd rijksveldwachter op het eiland. In 1915 werd hem bovendien het beheer van de visafslag opgedragen waar op een dag soms wel 80 last (14 ton of 17 kantjes) haring aangevoerd werd. Tot oktober ging het door met de afslag van bot en aal, daarna volgde spiering. Geen wonder dat Harm Smit wel eens een paar geschoten eendjes mee naar huis bracht – hij had het op Schokland duidelijk prima naar zijn zin.
Uit “Zwervend langs het IJsselmeer” Wim Kuyper.

Indienststelling misthoorninrichting ter Noordpunt van Schokland

Brief geschreven aan de gebroeders Hendrik en Harm. Ze krijgen een baan aangeboden, de bediening van de misthoorn. Vergoeding 700 gulden jaarlijks.

De brief eindigt met een nieuwjaarswens: “veel heil en voorspoed in 1922”. Hendrik wordt een jaar later, in 1923, overgeplaatst naar Staveren. Lang heeft hij de de misthoorn dus niet bediend. Harm tot aan 1940.

De originele brief.
Zie hieronder de transcriptie.

Amsterdam, 31 December 1921

Aan den heer Lichtwachter bij ’s Rijksverlichting te Schokland (Noordpunt)

Aangezien de misthoorninrichting ter Noordpunt van Schokland binnenkort voor indienststelling gereed zal zijn, acht ik de tijd gekomen, om een voorstel aan den Minister van Marine te doen voor de bediening ervan.

In aansluiting op mijn mondelinge mededeling, bij mijn laatste bezoek op Schokland, deel ik U mede, dat volgens een ruime schatting van den Chef van den Technische dienst der Kustverlichting de motorpomp gemiddeld 350 uren per jaar voor mist zal moeten draaien. De inrichting is zodanig gemaakt dat ongeveer 10 uren achter elkaar mistseinen uit de luchtketels gegeven kunnen worden, ’s nachts zal het dus nooit noodig zijn, om de motor aan te zetten of er wacht bij te houden. Wel moet natuurlijk het mistsein in werking gesteld worden, als ’s nachts op de een of andere wijze bekend wordt, dat het mistig geworden is. Hiertoe behoeft echter alleen de kraan geopend te worden, verder moet overdag de lucht bijgepompt worden.

Lees verder…

Verder moet de inrichting netjes onderhouden worden en elke week even proef geblazen en proef gedraaid worden, waarvan bij elkaar, naar schatting elke week 6 uur werken voldoende zullen zijn. In totaal schat de Chef van den Technischen dienst der Kustverlichting den voor voor de geheele bediening te besteden tijd op circa 600 à 700 uren ’s jaars.

Het komt mij voor, dat een en ander, in totaal met F 700,- ’s jaars behoorlijk betaald is, welk bedrag tusschen U en Uw broeder Harm Smit verdeeld moet worden.

Ik ben nu voornemens, aan den Minister van Marine de machtiging te verzoeken, om met ingang van 16 januari a.s. Aan u de bediening van de misthoorn-inrichting en aan uw broeder Harm den dienst van assistent bij die inrichting op te dragen, tegen eene vergoeding f 400,- voor U en van f 300,- voor uw broeder Harm.

Hoe U tenslotte dat bedrag onder elkaar wenscht te verdelen, is zoals ik bij het onderhoud, dat ik met U en Uw broeder hierover voerde – mij natuurlijk geheel hetzelfde.

Het is mijne bedoeling, den Minister mede te deelen, dat U beiden zich voorloopig slechts voor één jaar wenscht te verbinden, om na afloop daarvan te beslissen, of U onder de hiervoren vermelde voorwaarden al dan niet met de bediening van de misthoorn-inrichting belast wenscht te blijven.

Gaarne zal ik thans vernemen of U en Uw broeder Harm bereid zijn, om op deze condities de bediening van de misthoorninrichting te aanvaarden. Ik zal er prijs op stellen Uw beide antwoord spoedig te ontvangen om nog tijdig vóór 16 Januari a.s. het voorstel aan den Minister te kunnen inzenden.

Ik maak van de gelegeheid gebruik, U en Uw broeder met twee gezinnen veel heil en voorspoed in 1922 toe te wensen.

De Inspecteur v/h Loodswezen
i/h 3e district
Dominicus

Harm Smit had een vergunning om te vissen (aalfuiken, kubben, dobbers en peur) met een zeilboot, de Twee Gebroeders.

Harmen, beheerder van de visafslag, kocht zelf ook een boot om op visvangst te gaan. 

De vergunning voor de roeiboot werd in 1932 ingetrokken wegens de afsluiting van de Zuiderzee.

Harry, de kleinzoon van Harmen, opmerkzaam:

Ik zie op de smitschokland website net de visvergunning van opa Smit. Op de botter die papa in het jaar van de bestedingsbeperking in Enkhuizen heeft gebouwd staat KP.79. Zie nu pas dat op de vergunning ook KP.79 staat. 

Harm Smit en de Shell-connectie

Met de drooglegging aanstaande zit Harm vol plannen. Hij wil een oliehandel beginnen en dat is ook gelukt. Zie de bon van oliehandel J. Smit (de genoemde jongste zoon) gedateerd 25-09-1948.

Het opvallende Shell-bord op de schapenschuur van Harm, vastgelegd op een foto uit 1937, doet vermoeden dat er al voor de oorlog sprake was van een zakelijke relatie met het oliebedrijf

Een eigenzinnig karakter

De misthoorn en de zondagsrust

Harm Smit was een levendig en spraakzaam man, die zich bij vissers en schippers populair maakte, maar tegelijk ook zeer gelovig en consciëntieus in zijn werk. Juist daarom moet het hem hebben geraakt toen hij in Schuttevaêr las dat hij zijn werk op Schokland niet naar behoren zou hebben gedaan. Hij reageerde dan ook fel en verweet de anonieme schipper dat die de zondagsrust niet serieus nam en bovendien van anderen verlangde dat ook niet te doen:

Mijn gedachten zijn: U maakt geen onderscheid tusschen noodzakelijke en niet noodzakelijke rustdagarbeid, en eischt van anderen dit ook te doen, durft dit echter niet ronduit schrijven, maar dan om uw bedoeling te verbergen een onwaar verhaal hebt bedacht. U doet het voorkomen dat de argelooze lezer zoude denken dat U tweemaal achtereen Schokland had aangedaan bij mist, zonder dat de misthoorn werkte, het welk beslist onwaar is.

Maar dat is niet waar de klacht werkelijk over ging. Het ging de schipper er eenvoudig om dat de misthoorn van Urk wel te horen was en die van Schokland niet. Hij klaagde dat hij bij mist, onder meer op 1 december en opnieuw in de vroege uren van 9 december 1923, wel Urk hoorde, maar Schokland niet of pas later. Daarmee lag de suggestie van nalatigheid op tafel.

Harm Smit vatte de kritiek kennelijk op als een persoonlijke aantijging en verdedigde zich in een felle ingezonden brief.

Men kan zich voorstellen dat het stuk in Schuttevaêr hier en daar voor wat napraten zorgde – onder schippers, op Urk, en ook op Schokland zelf – maar of het meer dan dat is geweest, is niet bekend.

Voor het volledige verhaal en de ingezonden brieven: Klachten over de misthoorn op Schokland.

Bruno Klappe, redakteur van Het Schokker Erf, publiceerde het artikel in Schokker Erf 133, p. 18-23. Met zijn toestemming wordt dit artikel hier op Smitschokland gedeeld.

Hartelijk dank aan Bruno Klappe voor het beschikbaar stellen van dit waardevolle materiaal.

Harm Smit, een bevlogen mens
Het misthoornconflict laat een kant van Harm Smit zien die afwijkt van het overgeleverde beeld van hem. In beschrijvingen van tijdgenoten komt hij vaak naar voren als een rustige en beheerste man. Toch zou het een vergissing zijn hem alleen zo te zien, want Harm was ook een gepassioneerd mens. Als we “De bruid van Schokland” mogen geloven (en waarom niet)  dan was hij zelfs onstuimig:  “loopt vlug warm voor iets, heeft gauw de bokkenpruik op, maar is ook zo weer goed”. Zie De bruid van Schokland

Harm Smit stond voor zijn principes, dat blijkt ook uit het feit dat bij de familie Smit in de oorlog drie jaar lang tot aan de bevrijding een joods echtpaar is ondergedoken geweest. 

Dat Harm Smit niet over zich liet lopen blijkt eveneens uit het zogenaamde “Sodemieter proces“:

Het Sodemieter proces

Johannes D. 27 jaar, visscher te Schokland, gem. Kampen, heeft op 20 Maart, de surveillerende rijkshavenmeester Smit beleedigd, door hem het woord “sodemieter” toe te voegen. Bekl. ontkent.
Get. Harm Smit bevestigt zijn opgemaakt proces verbaal en zegt, dat D. dit woord hem onder een stortvloed van woorden had toegevoegd. De beklaagde beweerde, dat Smit aanleiding had gegeven. Hij kwam bij ons schip en zei „dat zijn die konings van Schokland, maar ik zal laten zien, wie de koning van Schokland is”. En dan hadden we nog een telefoonkwestie.
De officier eischt 3 weken gevangenisstraf.

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant 03-05-1923

Felle brief aan dominee Bos

In het tasje van Jantje van Veen bevindt zich deze brief van Harm Smit aan dominee Bos. Ook uit die brief spreekt zijn gedrevenheid.

Om de achtergrond van de briefwisseling te begrijpen is het van belang te weten dat de (toen nog) vrijgemaakte predikant B.A. Bos oktober 1948 een conferentie organiseerde met vrijgemaakte- en niet-vrijgemaakte predikanten ter bespreking van de mogelijkheid om de gerezen geschillen bij te leggen. De Vrijmaking is de naam van een kerkscheuring die in 1944 plaatsvond in de Gereformeerde Kerk van Nederland onder leiding van professor Klaas Schilder.

Harm Smit was absoluut tégen het bijleggen van de gerezen geschillen:

Kampen 23 sept. 1949
WelEerw. Heer Ds Bos

Ds. Weet u wel wat u doet door gemeenschap zoeken met degenen die ons uitstieten, weet u hun bedoelingen wel?
Weet u niet wie en wat Dr. H. H. Kuyper was?
Weet u niet waarvoor ons Dr. Schilder waarschuwde en om welke redenen hij tot iedere prijs moest verdwijnen?
Weet u niet dat vanaf 1892 af de plannen uitgebroed zijn om de van hun gewraakten verbonds-beschouwing weg te werken.
Weet u wel wat smart u aandoet degenen die de Heeren danken dat ze de strik zijn ontkomen?
Is het u vergeten in wat duistere tijd deze werken der duisternis volbracht zijn? Weet…
(de brief gaat aan de achterzijde verder maar daar is geen digitale kopie van beschikbaar)

Het antwoord van Ds. Bos:

De “Keizer van Schokland” en de radiomakers van de AVRO

Harm botste soms met autoriteiten. Zo kreeg hij naar aanleiding van een radio-uitzending een reprimande omdat hij zich niet dankbaar genoeg zou hebben uitgelaten over zijn functie als “onbezoldigd Rijksveldwachter”. Achteraf zag hij daarin zelf een bewijs hoe gemakkelijk iemand op een afgezonderde post moeite kon krijgen zich gewillig aan “gegeven gezag” te onderwerpen.

Tegen die achtergrond krijgt het bezoek van een AVRO-radioploeg aan Schokland in 1938 een bijzondere betekenis.

Radioploeg op Schokland (1938)

Op 16 april 1938 bracht een AVRO-radioploeg een bezoek aan Schokland in het kader van de reportage De Zuiderzeewerken. Dankzij de toen nieuwe ultra-kortegolftechniek kon de verslaggever rechtstreeks verslag doen van het bezoek, destijds een technisch hoogstandje.

Naast het officiële radioverslag verscheen in de AVRO-bode een opmerkelijk stuk onder de titel On-officiële naklanken van de „Zuiderzeewerken”-Reportage, geschreven door Gustav Czopp. Het artikel heeft een uitgesproken ironische, bijna studentikoze toon en laat zien dat de jonge radioploeg het bezoek niet alleen als werk, maar ook als avontuur heeft beleefd.

Lees verder…

In het stuk wordt Harm Smit speels aangeduid als de “Keizer van Schokland” – een bijnaam die hij zelf bepaald niet op prijs stelde. Die licht spottende benaming zegt waarschijnlijk evenveel over de radiomakers als over Harm Smit zelf. In het Nederland van de jaren dertig waren maatschappelijke verhoudingen doorgaans nog sterk hiërarchisch. Van arbeiders en kleine luiden werd een zekere onderdanigheid tegenover chefs, ambtenaren en andere autoriteiten verwacht. Harm Smit paste echter maar ten dele in dat patroon.

In zijn kroniek beschreef hij zelf hoe het afgezonderde leven op Schokland een mens onafhankelijk kon maken, maar tegelijk ook vatbaar voor hoogmoed. Bezoekers – van vissers tot autoriteiten – namen notitie van hem, vroegen zijn raad en behandelden hem als een onmisbare figuur op het eiland:

“Men wordt door ieder, die zich verwaardigt of het nodig acht, daar te verschijnen, verwend. Of het Koninklijke Hoogheid, Excellentie, Edelachtbare of lagere vertegenwoordigers van het gezag zijn. Of het schippers of visschers zijn, een ieder neemt notitie van je.”

Tegelijk zag Harm daarin ook een geestelijk gevaar. Het afgezonderde bestaan kon ertoe leiden dat iemand zich verheven ging voelen boven “die door elkaar wriemelende mensen”. Juist daarom bleef hij zich bewust van het gevaar van hoogmoed.

Dat onafhankelijke karakter hing waarschijnlijk ook samen met zijn gereformeerde levensovertuiging, waarin uiteindelijk niet wereldlijk gezag maar God het hoogste gezag vormde. Dat blijkt al uit een anekdote over Harms grootmoeder, die bij de promotie van haar zoon niet de directie bedankte, maar eenvoudig opmerkte: “Dat heeft God U in het hart gegeven.” Eén van de aanwezige chefs reageerde gepikeerd en noemde haar zelfs een “ondankbaar wijf”.

Voor de jonge AVRO-radiomakers moet Harm Smit daardoor een opvallende verschijning zijn geweest: een man die minder onder de indruk leek van status en autoriteit dan men in die tijd gewend was. De bijnaam “Keizer van Schokland” was vermoedelijk half spottend, half bewonderend bedoeld.

Een van de bezoekers was Gustav Czopp, later bekend als AVRO-medewerker en journalist. Collega Frits Thors omschreef hem later als “een reuze aardige baas, zeer intelligent en zeer nerveus”.

Tijdens de Duitse bezetting dook de Joodse Czopp onder. In 1944 werd hij gearresteerd en via Westerbork naar Dachau gedeporteerd, waar hij in december van dat jaar om het leven kwam.

Czopp zal nooit hebben geweten dat Harm Smit – de man die hij in 1938 nog luchtig “Keizer van Schokland” noemde – tijdens de oorlog een Joods echtpaar verborgen hield.

De reportagedienst geeft per ultra-kortegolfzender zijn verslag van het eiland Schokland af.
— U ziet op de foto als tweede van rechts een Urker visser en als derde van links den „Keizer”
van Schokland. Geheel links „Trijntje”.

Czopp zelf staat derde van rechts op de foto. Vermoedelijk spreekt hij daar met Harm Smit, die iets staat te lezen – wellicht aanwijzingen voor de uitzending. Opvallend zijn ook de modieuze broeken van de radiomannen: strak in de taille, royaal in de pijpen. Wat in 1938 modern was, zou in de zestiger jaren opnieuw de straten veroveren.

In zijn verslag merkt Gustav Czopp niet zonder trots op dat hij cum laude de boot van Schokland naar Kampen heeft bestuurd. Gezien zijn verwijzing naar “Trijntje van de boot” kan dat vrijwel alleen de Ens zijn geweest, de boot van Lammert Smit, zoon van Harm Smit. Of Trijntje evenveel vertrouwen had in Czopps nautische talenten als hijzelf, vermeldt het verslag helaas niet.   

Harm Smit in de herinnering van anderen

Gerhard Werkman bezocht Schokland kort voor de drooglegging van de Noordoostpolder.

Zijn beschrijving van Harm Smit is treffend:

„Hij was buitengewoon opgewekt, al was het wel degelijk tot hem doorgedrongen, dat hij zijn eiland binnenkort zou moeten verlaten.”

Werkman beschrijft ook havenmeester Spit, die hem en zijn gezelschap bij aankomst rondleidt. Werkman schetst hem niet bepaald sympathiek. Spit wil zijn bezoekers de „merkwaardigheden” van het dorp laten zien en leidt hen allereerst naar de lichtpost, die hij een vuurtoren noemt. Werkman is daar weinig van onder de indruk:

„Hij leidde ons eerst naar den lichtpost, dien hij vuurtoren noemde. Dat was te veel eer voor het leelijke ding, waaraan niets te zien en waarvan niets te zeggen viel. Dus keken wij amper en deden er het zwijgen toe. Geen onzer had lust de wenteltrap te beklimmen om iets over het uitzicht op te merken. Het deed hem zichtbaar leed, maar hij versaagde niet.”

Dat is een nogal hard oordeel over de lichtopstand. Achteraf krijgt het iets ironisch. In mei 2007 keerde een authentieke replica van deze historische lichtopstand terug naar de noordpunt van Schokland, bij Oud-Emmeloord. Bij de officiële ceremonie werd het havenlicht ontstoken door Harry Smit, een kleinzoon van Harm Smit. Het bouwwerk dat Werkman in 1942 nog een „leelijk ding” vond, was inmiddels zelf een object geworden dat met grote eerbied werd teruggebracht als onderdeel van de herinnering aan het historische Schokland.

Lees verder…

Gerhard Werkman

Gerhard Werkman was een Nederlandse journalist en schrijver die zich in zijn werk regelmatig richtte op het leven en de geschiedenis van de Zuiderzee en haar bewoners. Net als Fred Thomas en Wim Kuyper had hij oog voor het bijzondere karakter van de wereld die door de inpoldering zou verdwijnen. Zijn bezoek aan Schokland in 1942 vond plaats op een historisch kantelpunt: het eiland bestond nog als bewoonde gemeenschap, maar het einde daarvan was al in zicht.
Juist daardoor is zijn verslag achteraf zo waardevol. Werkman beschrijft niet alleen het landschap en de gebouwen, maar ook de mensen die er nog wonen. Hij registreert hun gesprekken, hun gewoonten en hun verwachtingen van de toekomst. Zonder dat hij het volledig kan overzien, legt hij daarmee een van de laatste beelden vast van de levende gemeenschap van Schokland.
Dat geldt in het bijzonder voor zijn ontmoeting met Harmen Smit.

Harmen Smit door de ogen van Werkman

Het fragment geeft een bijzonder levendig beeld van Harmen Smit, een van de laatste bewoners van Schokland. Hij is de houder van het postkantoortje en tevens directeur van de visafslag, die eigenlijk al niet meer bestaat. Wanneer de bezoekers bij hem aankomen, treffen ze hem thuis, samen met zijn vrouw, achter de thee. Hij is opvallend opgewekt en spraakzaam, hoewel hij heel goed beseft dat hij zijn eiland binnenkort zal moeten verlaten.
Smit vertelt dat hij en zijn vrouw waarschijnlijk aan de wal zullen gaan wonen, mogelijk in Genemuiden of Kampen. Eigenlijk waren ze liever op Schokland gebleven. Hij is duidelijk sterk gehecht aan het eiland en aan de rust en ruimte die daar heersen. Het idee om in een omgeving terecht te komen met straten, huizen tegenover elkaar en mensen die bij elkaar naar binnen kijken, spreekt hem bepaald niet aan.
Tegelijkertijd kijkt Smit opmerkelijk nuchter tegen zijn vertrek aan. Hij zegt dat het verlies dat met hun vertrek gepaard gaat uiteindelijk vooral persoonlijke betekenis heeft. Voor anderen zal het nauwelijks van belang zijn. Die houding past bij zijn bredere belangstelling: hij is op dat moment bezig de geschiedenis van de familie Smit op Schokland vast te leggen. Zijn familie is al generaties met het eiland verbonden. Van zijn vader en grootvader bezit hij nog stukken; van zijn overgrootvader kent hij alleen de overlevering. Hij zegt dan ook treffend:

„Ja, wij zijn met Schokland vergroeid.”

Ook zijn zoons zijn nog bij het eiland betrokken: twee van hen varen met hun boot voor de Zuiderzeewerken.
Smit heeft bovendien al een toekomstplan. Hij is in gesprek met een oliemaatschappij en verwacht een agentschap te krijgen, met een schip om op te wonen. Hij wil daarmee niet zozeer gaan varen, maar bij een dijk gaan liggen op een plaats waar veel scheepvaart passeert. Zo probeert hij een nieuwe manier van leven te vinden die aansluit bij wat hij op Schokland gewend is.
De beschrijving van Spit sluit daarbij mooi aan bij het huidige bordje op de schutting van de lichtwachterswoning:

„Stond havenmeester Spit bekend als een zwijgzaam en ernstig man, Harmen Smit was levendig en spraakzaam. Hij verwierf daardoor een grote populariteit bij vissers en schippers.”

Juist die eigenschappen komen in het fragment sterk naar voren. Smit ontvangt de bezoekers zonder omhaal, is onmiddellijk bereid tot een uitvoerig gesprek en vertelt openhartig over zijn verleden, zijn familie, zijn verbondenheid met Schokland en zijn toekomstplannen. Hij verschijnt daardoor niet alleen als een functionaris, maar vooral als een levendige vertegenwoordiger van een verdwenen Schokker wereld.

Hier de volledige sfeervolle passage uit het boek van journalist en schrijver Gerhard Werkman, getiteld Het Urkerland valt droog, dat verscheen in 1942.

Pagina 84
Met een schok werd ik wakker. Dat was in de haven van Emmeloord, waar het jachtje schurend langs het remwerk tot rust werd gebracht. Het zeil boven mijn hoofd was reeds geborgen zonder dat ik het gemerkt had. Met een hoeratje werd mijn ontwaken begroet; het drietal was sportief genoeg om mij deze kleine afwijking van de welvendheid niet euvel te duiden. Ik kon mij dus de moeite besparen er een aannemelijke reden voor te bedenken.Zoodra de boot gemeerd lag nam mijn vriend de leiding. Naar dat oogenblik had hij kennelijk verlangd. Eén voor één klommen wij tegen het remwerk op en een voor een werden wij ontvangen door het één man sterke publiek op de kade. Die eene man was Spit, de eenige winkelier van het eiland. Hij begroette ons met eenige ingenomenheid, vroeg belangstellend naar onzen welstand, maar was verder zoo bescheiden geen navraag te doen naar de plaats onzer herkomst of de reden van ons bezoek. Van ons vieren had er trouwens maar één de reden kunnen omschrijven en die eene had te veel haast ons de merkwaardigheden van het twee woningen en een lichtpost tellende dorp te toonen.
Hij leidde ons eerst naar den lichtpost, dien hij vuurtoren noemde. Dat was te veel eer voor het leelijke ding, waaraan niets te zien en waarvan niets te zeggen viel. Dus keken wij amper en deden er het zwijgen toe. Geen onzer had lust de wenteltrap te beklimmen om iets over het uitzicht op te merken. Het deed hem zichtbaar leed, maar hij versaagde niet.

Pagina 85
— Kom mee, zei hij, dan gaan wij naar Smit.Harmen Smit was de houder van het postkantoortje, tevens directeur van den vischafslag, die er eigenlijk al niet meer was. Wij traden zijn woning binnen via den dienstingang. De deur van de gewaterde telefooncel hing scheef en kon niet meer dicht. In het kantoortje was niemand. Girostrookjes en andere papieren lagen op de werktafel ordelijk gerangschikt. Een met de hand vervaardigd model van een botter deed dienst als bergplaats voor het post- en het lakstempel en nog eenige kleinigheidjes. Er hing een kalender van een levensverzekeringsmaatschappij.
— Vollek! riep de schipper.
Er kwam niemand. Daarop liepen wij maar door naar de huiskamer; mijn vriend voorop. Het echtpaar Smit zat er achter de thee. De oude baas was maar niet opgestaan, want hij had wel gedacht dat wij zouden komen doorloopen. Hij was buitengewoon opgewekt, al was het wel degelijk tot hem doorgedrongen, dat hij zijn eiland binnenkort zou moeten verlaten.
— Gaat u aan den wal wonen? vroegen wij.
— Wij kunnen onderdak krijgen in Genemuiden, vertelde hij, maar het kan ook zijn, dat wij in Kampen gaan wonen. Eigenlijk waren wij liever hier gebleven. Zoo’n drukte voor de deur zijn wij niet gewend.
— Maar zoo’n eenzame plaats zult u niet gauw terugvinden.
— Hoeft ook niet, als wij maar ruimte om ons heen hebben zijn wij al tevreden. Als het maar geen straat is met huizen op een rij en huizen aan den overkant en menschen, die bij elkaar in de glazen kijken.

Pagina 86
— En hebt u daar al wat op gevonden?— Misschien, ik ben in bespreking met een oliemaatschappij. Daar krijg ik waarschijnlijk een agentschap van en een schip om op te wonen, met tanks erin voor stookolie en petroleum en zoo.
— Wou u op uw leeftijd nog gaan varen?
— Nee, dat niet. Ik wou er mee aan den dijk gaan liggen op een plaats, waar veel scheepvaart moet passeren. En dat zal wel lukken ook.
— Vindt u het vervelend hier weg te moeten?
— Och, wij waren hier aardig gewend, dat is waar, maar tenslotte is ons vertrek een kleine bijzaak, vergeleken met de groote hoofdzaak. Wat er met ons vertrek verloren gaat is alleen maar van beteekenis voor ons persoonlijk. Anderen zullen daar weinig belang in stellen. Ik ben op het oogenblik bezig de geschiedenis van de Smitten op Schokland samen te stellen. Wij hebben hier steeds ambtelijke en halfambtelijke functies gehad. Van mijn vader en grootvader heb ik nog stukken, van mijn overgrootvader alleen de overlevering. Ja, wij zijn met Schokland vergroeid. Ook mijn zoons. Twee varen er met hun boot voor de Zuiderzeewerken. Dat is de „Ens”, die wel zult kennen.
Met Schokland vergroeid…, dat waren deze menschen met recht. Klassiek is het verhaal van Harmen Smits echtgenoote, die, teruggekeerd van het jaarlijksch bezoek aan haar geboorte-eiland Urk, de verzuchting slaakte:
— Blij, dat ik die drukte weer uit ben!
Drukte waar Smit en zijn vrouw inderdaad nooit gewend. Dat was Spit, die de andere helft van het twee huizen tellende Emmeloord met zijn gezin bevolkte, al evenmin. Hij hield hier sinds jaar en dag een winkel, maar een etalage had hij nog nooit gehad. Waarom ook? Smit wist zoo wel waar hij terecht kon en de visschers, tjalkschippers en plezierzeilers wisten hem ook wel te vinden.


Hier de volledige sfeervolle passage uit het boek van journalist en schrijver Gerhard Werkman, getiteld Het Urkerland valt droog, dat verscheen in 1942.
Lees de volledige PDF van Werkman

Springlevend portret
Uit alle geschriften komt Harm Smit naar voren als een sociaal en aimabel man met veel kennis van de Zuiderzee.

Dat beeld komt tot leven in het volgende verslag van kunstschilder Jos Lussenburg’s laatste vaartocht naar Schokland.

Overigens schilderde Lussenburg een karakteristiek portret van Harm Smit. Het schilderij hangt in het Zuiderzeemuseum.

Portret van Harmen Smit geschilderd door Jos Lussenburg

Jos Lussenburg – Een bezoek aan Schokland in 1940

Voor wij echter voorgoed afscheid nemen van ons eiland varen wij in ’t noorden nog eenmaal de haven van Emmeloord binnen. Deze in 1838 aangelegde haven, ligging biedend aan plm. 300 schepen, was nu leeg.

Tegen een meerpaal geleund stond hij, onze oude vriend Harmen Smit – de laatste koning van Schokland zoals de vissers hem noemden. Hij had ons natuurlijk allang zien komen, want nu was het een gebeurtenis als er nog eens een schip binnenliep.

Ik herinner me nog goed, hoe ik voor ’t eerst op een bijzondere manier kennismaakte met deze, op zijn eenzame post tot een wijs man gegroeide, typische kerel.

Lees verder…

Jaren terug voer ik met mijn botter de grote haven van Emmeloord binnen. Ook toen stond Harmen Smit op de steiger om onze kabel om de meerpaal te leggen. Blij dat hij weer eens met een paar mensen kon praten, begon hij meteen over het weer en de visserij, maar hij zag aan de geopende schilderskist en penselen wel, dat hij niet met een visser te doen had en begon meteen te informeren wie die kunstschilder was.

Hij: “Ja, u komt hier nu wel met een Elburger botter, maar aan uw spraak te horen, komt u niet van de Gelderse kust.”
Ik: “Waar denkt u dan wel dat ik vandaan kom?”
Hij: “Aan je spraak te horen, zou ik zeggen, je komt uit Enkhuizen.”
Ik: “Goed geraden! Ik ben een rasechte Enkhuizer.”
Hij: “Zo, zo. Kent u dan ook Jannus Kramer en z’n zoon Paulus van de EH 69?”
Ik: “Ja, die ken ik heel goed.”
Hij: “Nou, dan ken je David Lussenburg, de scheermeester ook wel.”
Ik: “Ja, ik ken ze alle drie zeer goed. Jannus Kramer is mijn Grootvader, Paulus mijn oom en de scheermeester is mijn vader.”

Dit alles verraste de oude baas zo dat hij zijn klompen uitschopte en aan boord stapte om mij hartelijk de hand te drukken en toen kwam zijn verhaal. “Ja”, zo begon hij, ik vrijde in die dagen met een Urker meisje, dat in Enkhuizen diende. Als ik zaterdags en zondags naar haar toeging, kon ik altijd bij je oom Paulus logeren. De Kramers lagen hier dikwijls in de haven en kwamen dan veel bij mij thuis. Ik kon heel goed met ze en had zodoende altijd onderdak in Enkhuizen. Zo gebeurde het in de winter, dat plotseling zeer hard begon te vriezen, dat ik niet meer naar Schokland terug kon en heb ik wel vier weken bij je oom Paulus gelogeerd. Béste mensen. Dat Urker meisje zit daar nu in mijn huis, een beste dappere vrouw voor mij hier op het stille eiland.

Tot zover mijn wonderlijke kennismaking met de laatste koning van Schokland.

Jos Lussenburg – Een bezoek aan Schokland in 1940

Harm Smit, onderwerp voor menig schrijver
Harm Smit, inspireerde verschillende schrijvers tot diepe bespiegelingen, waaronder Fred Thomas en Gerhard Werkman. Hieronder fragmenten uit “Zwervend langs het IJsselmeer” van Wim Kuyper.

‘As jij’t nou ‘weest benne’
Met de zelfbewuste, soms wat vrijpostige Volendammers kon Harm Smit goed overweg. Een enkele keer ergerde hij zich aan hun onbehouwen gedrag maar bleef altijd beheerst in zijn reacties. Op een uur dat de meeste vissersschepen in zee waren, zag hij een Volendammer kwak naar de haven komen. Er moest wat bijzonders aan de hand zijn; de botterfok was gestreken en er sleepte iets achter het schip. In de haven bleek dat de schipper een in zee ronddrijvend lijk op sleeptouw had genomen en er graag zo gauw mogelijk vanaf wilde zijn. Harm Smit was verbolgen en wilde dat wel even luchten: ‘Die had je toch wel even binnen boord kunnen leggen?!’ Het antwoord van de schipper kenmerkte de verhouding van de Volendammers met Harm Smit: As jij’t nou ‘weest benne!’ (als jij nou het lijk was geweest).

Familie en herinneringen

De statenbijbel en hoe die in het bezit kwam van de familie Smit
Toen in een strenge winter rond 1930 de vorst heel snel inviel waren heel wat schepen gedwongen door de snelle aangroei van het ijs beschutting te zoeken in de haven van Emmeloord. Wekelijks organiseerden de 3 families die op Schokland woonden een tocht met de ijsvlet naar Kampen om o.a. diverse levensmiddelen in te kopen. Ook de schippers die in de haven lagen konden doorgeven wat voor boodschappen zij wilden hebben. Zoals toen gebruikelijk was werd er niet wekelijks afgerekend. Onze opa hield bij wie wat had gekocht.
Een paar maanden later viel de dooi in en toen het ijs grotendeels weg was konden de schepen weer uitvaren. Maar niet voordat ze hun boodschappen hadden betaald.
Tijd dus voor onze opa om de rekening voor iedereen op te maken.
Alle schippers, op één na, voldeden keurig aan hun verplichting. Deze ene schipper bleek echter geen geld te hebben. Hij kwam bij opa en oma binnen met een Statenbijbel en vroeg of hij die als onderpand mocht achterlaten. Zodra hij voldoende had verdiend, zou hij terugkomen om zijn schuld te voldoen en om de Statenbijbel op te halen.

De schipper is nooit meer de haven van Emmeloord binnengevaren. Voor onze opa misschien niet zo leuk maar voor ons als nazaten in ieder geval wel. Wij hebben nu een statenbijbel met een bijzonder verhaal.
Bron: Harry Smit, kleinzoon

Koude handen
Lammert, zijn zoon, hielp hem geregeld met het legen van de fuiken. Een keer was het ijzig koud en Lammert klaagde over koude handen. Harmen leerde zijn zoon toen de volgende methode om warme handen te krijgen: hij pakte de arm van zijn zoon vast bij de pols en sloeg de hand een aantal keren hard op de boord van de roeiboot.

Lammert had inderdaad geen koude handen meer. Zover bekend heeft hij die hardhandige methode niet op zijn eigen kinderen toegepast.

Harm Smit en Schokland in beeld

Rond 1921  – voor hun woning op Schokland (v.l.n.r): Trientje, Margaretha Duinkerken met op schoot Pietertje Smit en op de grond haar dochter Jantje. Lammert met pet, Jantje van Veen met op schoot Jan, dochter Jantje en Harm Smit
Het huis was niet gebouwd op palen (zie bestek) en is vanwege bouwvalligheid na de inpoldering afgebroken. Foto is bewerkt, zie origineel

Familie Smit – 1925

Familie Smit voor hun woning op Emmeloord met derde van links juffrouw Witkop – Rond 1928

Harmen Smit met dochter Trientje

Familie Smit met bezoeker bij de haven van Emmeloord.
Staand: Jantje van Veen, Harm Smit, onbekend persoon, Lammert Smit en Trientje Smit.
Zittend met hond: Jan Smit – Rond 1938

Oma en opa Smit. Samen met waarschijnlijk tante Lena (Lummetje) van Veen, een zus van oma. Tante Lena was getrouwd met ome Dok (Frederik van Dokkum) uit Zaandam. De oom die een prachtige hoed kocht voor Trientje. Trientje gaf de hoed aan haar zus Jantje toen die trouwde en naar Urk verhuisde. Op Schokland droeg Trientje de hoed toch niet.

Prof de Froe, Harm Smit, Ir Klasema met zicht op de opgraving bij de middeleeuwse kerk op de Zuidpunt (1940)

Harm Smit aan de telefoon met aan tafel twee onbekende heren. De ingang achter Harm geeft toegang tot de wachtkamer voor het “telefonerende publiek”.