Lammert Smit 1914-1991
Sleepbootkapitein

Lammert Smit, zoon van Harmen Smit. Sleepbootkapitein. Laatste woonplaats Lelystad-haven.

“Ik moet wel lachen als ik al die verhalen lees van mensen die in Lelystad en Almere ‘gepionierd’ hebben. Voor een stadsmens is het wellicht heel wat om midden in zo’n rimboe te leven, maar ik was vroeger niet anders gewend. Op Schokland woonden we met vijf gezinnen. ’s Winters was je van de buitenwereld afgesneden en most je je maar redden.”.  Volkskrant 1977

“We hebben het altijd goed gehad; financieel hebben we ook nooit te klagen gehad. Maar we verlangen ook niet meer! Velen zijn ontevreden. De mensen gaan drie keer per jaar op vakantie maar ze blijven klagen. Ze stemmen zelfs op de Centrum Partij. Begrijp je dat nou?”   Lelystads Dagblad, 1984

“De tijd dat het IJsselmeer nog Zuiderzee was; een prachtige tijd! Met al die vissersschepen en die vissers , van wie ik me velen nog precies voor de geest kan halen. Dat waren kerels die nergens tegenop zagen, echte vakmensen, vaak wel een beetje ruw in de mond, maar ze voelden zich afhankelijk van God en leefden dicht bij de natuur . Trouw,  1977

“M’n vader had toen ik twaalf werd, een sloep gekocht, waar ik de boten met riet en hooi mee opdrukte. Hij hoopte dat ik het duw- en sleepwerk leuk zou vinden en geen ambtenaar zou willen worden. Hij vond dat te saai voor zijn zonen.” Flevolander, 1985


Uitreiking zilveren eremedaille verbonden aan de orde van Oranje-Nassau. Opgespeld door staatssecretaris van Hulten. 1977


Serie interviews, rond de tijd van de uitreiking van het lintje en Lammert zijn pensionering

Volkskrant, 1977

Trouw,  1977

Onder Ons 1979 – Uitgave ten dienste van het sociaal-cultureel in werknemersoorden – Ministerie van sociale zaken

Lelystads Dagblad, 1984

Flevolander, 1985

Citaat uit de Flevolander, Lammert Smit: “M’n vader was een goed christen maar was bang voor de verkeerde buitenwereld. In de ‘Schokland-trilogie’ komt een gedeelte voor dat op ons gezin slaat. De schrijver woonde een een half jaar op Schokland en beschreef toen m’n vader als een soort tiran. Voor de buitenwereld moet dat zo geleken hebben, wij als kinderen hebben dat nooit zo ervaren. Wel vond ik het verschrikkelijk dat m’n vader me niet van het eiland af wilde laten gaan. Ik was dan ook blij toen bekend werd dat Schokland tot de polder zou gaan behoren, vertelt Smit.”

Het betreft de schrijver Pieter Terpstra en het boek “De heer van het eiland”. Gerrit Broezer is in het boek de tiran en zijn zoon Paul is verbitterd:

“De schippers willen graag op zichzelf zijn, zegt mijn vader altijd. Ze komen bijna nooit bij ons in huis. Alleen ’s zondagsmorgens als hij z’n preek houdt. De bitterheid waarmee Paul sprak ontging Martha niet. ‘Je hebt veel tégen je vader,’ zei ze. ‘Maar vannacht heb ik toch respect voor hem gekregen.’
‘In de de huiskamer?’ vroeg hij schamper. ‘toen hij beslist voor ons allemaal wilde bidden?’ ‘Ja,’ zei ze. ‘Vooral toen. Ik vind je vader een moedig man. Hij durft te getuigen, óók als er mensen zijn van wie hij weet dat ze misschien met hem spotten. Ik vind dat dat die ingenieur Van Noort zich schandelijk heeft gedragen.’ ‘Die ingenieur Van Noort,’ zei Paul, ‘heeft veel van de wereld gezien. Daar krijg je een ruimere blik door.’ Die opmerking beviel haar niet; hij merkte het aan haar arm, die ze onwillekeurig een beetje terugtrok. Daarom zei hij nog: ‘Je moet me goed begrijpen Martha. M’n vader hecht aan dingen die altijd zo zijn geweest. Als hij bidt dan weet ik van te voren wat hij gaat zeggen. Vanavond wist ik precies wat we zouden gaan zingen. Ik weet óók van tevoren welke mensen hij wél en welke hij níet mag. Nee, de bewondering vor m’n vader is zo zoetjesaan niet zo groot meer.’ ‘Dat is een hard oordeel,’ zei Martha. (…) ‘Je had het zoëven over die  ingenieur Van Noort,’ zei hij. ‘Ik heb hem vanavond m’n werk laten zien. Ik geloof dat hij er wel wat in zag.’
‘O, dat is fijn, zei ze. Maar de druk van haar arm werd niet steviger.”

Wie zou ingenieur Van Noort zijn. Ingenieur Klasema?

Gerrit Broezer, de tiran, lijkt in het geheel niet op Opa Smit. Dan nog meer op Jan Spit, de havenmeester, die beschreven wordt als een bijzonder plichtsgetrouwe en serieuze man.

“Gerrit Broezer zélf was voor in de vijftig; hij was niet jong getrouwd want op Schokland ontmoet je nu eenmaal niet veel vrouwen. Z’n vader was hier ook al vuurtorenwachter; hij had dus z’n hele leven op het eiland gewoond. Een gebruinde kop en donkere, strenge ogen, die verachtelijk keken als iemand iets zei dat de moeite niet waard was. Dat was Gerrit Broezer, de heer van het eiland.”

Opa Smit lijkt veel meer op op Freek Mulder, de beheerder van de visafslag. Harm Smit woonde inderdaad naast Jan Spit en was beheerder van de visafslag, zoals beschreven in dit fragment:
“Naast hem woonde Freek Mulder, de beheerder van de visafslag. Hij was ruim dertig jaar, afkomstig van Urk en streng opgevoed. Maar het was of hij zich op Schokland vrijer voelde, los van de nauwlettende Urker gemeenschap. Hij erkende Broezer volkomen, luisterde naar wat hij zei, maar de woorden hadden niet veel vat op hem. Hij ging vlot en gezellig met de vissers om, hield van een goede grap en een borrel. Soms kwam hij wat laat terug van één van de schepen, maar thuis vond hij een vriendelijke vrouw, die zich óók wel op het eiland thuis voelde en heel gelukkig was met haar drie jonge kinderen.”

Janke Holtland:

In dat Terpstra boek heeft die zoon Paul ook verkering met de schooljuf van het eiland. Iets wat dus qua leeftijd al helemaal niet kan kloppen. Ook dit is dus gefantaseerd.

Het boek stond eerst als vervolgverhaal in de NCRV-gids. Dus vrijwel al onze bekenden lazen het en mamma werd er steeds kwaaier over dat Terpstra zo zijn fantasie op hol had laten slaan maar de indruk gaf dat het echt over haar familie ging.
Herinner me dat ze een keer een hele nacht een boze brief aan Terpstra heeft zitten schrijven maar de volgende dag zei ze dat ze door die brief alle kwaadheid van zich afgeschreven had, dus versturen was niet meer nodig En ze heeft hem toen in de kachel gegooid 🙂 🙂

Het is duidelijk dat we aan Terpstra (schrijver van de detective-reeks Havank na het overlijden van de oorspronkelijke auteur Hans van der Kallen) als historische bron weinig hebben. De tiran, Gerrit Broezer, lijkt op geen enkele manier op opa (strenge ogen die verachtelijk keken, zijn afkeer van Volendammers,  opa kon juist goed opschieten met de Volendammers). Terpstra wilde een boeiende roman schrijven, de werkelijkheid was niet van belang. Hij gebruikte zijn half jaar op Schokland als inspiratiebron. Dat half jaar viel in de periode vlak voor de drooglegging van de Noordoostpolder. Een spannende tijd en ook de tijd dat ir. Klasema geregeld Schokland bezocht. Het is daarom niet onaannemelijk dat Terpstra de ingenieur heeft ontmoet en dat Klasema model heeft gestaan voor ir. van Noort.

“Klasema was in die tijd een jonge ingenieur die door pa werd rondgevaren. Er ontstond een bijzonder goede band tussen die twee. Ir. K. werd later hoofd van de dienst Zuiderzeewerken. Het zou mij niet verwonderen dat papa mede door de goede relatie met Ir K. tot het einde van zijn werkzame leven zich met zijn boot heeft kunnen verhuren.

Zelfs bij de bestedingsbeperking in 1957 toen alle werkzaamheden van de Zuiderzeewerken werden stilgelegd werd het huurcontract niet opgezegd.”
Harry

Klasema was een bijzonder sportief figuur. Hij werd uitgezonden naar de Olympische Spelen en nam vier keer deel aan de Elfstedentocht. Lammert was ook een goede schaatser maar in Klasema moest hij zijn meerdere erkennen:

“Klasema en pa schaatsten vanuit Kampen naar Schokland. Er stond een harde wind en pa kon Klasema alleen met heel veel moeite bijhouden. Toen ze aankwamen hield hij zich groot maar zijn kleren waren kleddernat van het zweet.

Klasema was een groot liefhebber van vis. Ze gingen geregeld met de sleepboot langszij bij een vissersboot voor een maatje (ondermaatse?) paling en rookten die paling vervolgens.”
Jan

Ma zei altijd dat pa heel goed kon schaatsen. Hij was een keer van Schokland naar Friesland geschaatst en kwam bij de Singel,  daar woonde ze toen nog, ’s avonds laat aan (het kan ook vanaf Lemmer geweest zijn want daar lag de Ens ook wel eens). Ze vond het ook zo knap dat hij de weg kon vinden op die bevroren wateren en precies bij haar uitkwam.

Klasema was dus een atleet, zelfs naar de olympische spelen uitgezonden en vier keer de Elfstedentocht gereden. Nu vind ik het nog knapper dat hij samen met Klasema ging schaatsen en hem bijhield.
Titi

Blijft de vraag waarom onze vader meende dat de buitenwereld kon denken dat opa een tiran was. Hijzelf en de anderen kinderen ervoeren dat niet zo. Opa stond juist bekend  als een bijzonder aardige en sociale man. Het plakkaat op de havenmeesterswoning vermeldt dat zelfs (inclusief de vermelding dat de eerste havenmeester minder sociaal was).

Zo fel als zijn zuster Trientje heeft hij, naar ons weten, ook niet op de verzinsels in het boek gereageerd. Zou hij toch iets in het boek herkend hebben dat hem aanstond? Nu we toch aan het speculeren zijn: Terpstra verbleef een half jaar op Schokland, kort voor de drooglegging van de polder. Dat zou in 1941 kunnen zijn geweest…. het jaar ook dat een onbekende schrijver uiterst ambitieus en literair de geschiedenis van de familie Smit op schrift stelde… om er na acht bladzijden mee op te houden.  Zou die onbekende schrijver Terpstra geweest kunnen zijn?

Klasema, Terpstra en Lammert waren alle drie ongeveer van dezelfde leeftijd, begin dertig.